Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Abraham's geloof bestond niet hierin, dat hij niet op zijn lichaam lette maar dat hij op zijn lichaam lette, zonder te verflauwen in het geloof.

Vs. 20. Het geloof verflauwde niet; integendeel; het werd sterker, hoezeer de twijfel ook voor de hand lag. Els t*iv èirxyytXlxv, met nadruk vooropgesteld, is bepaling zoowel van ou iisKpiSq als van IvtluvxiAu^. EU beteekent „met betrekking tot"; zie Hand. 25:20 (ree.). Dat de belofte een belofte Gods was, gaf haar zulk een kracht. — Het verb. iixuptverixi beteekent eigenlijk: zich scheiden, zichzelven in twee menschen verdoelen, één die bevestigt en één die ontkent. Maar ten opzichte van de belofte was er in Abraham geen verdeeldheid. Tjj ivitrlif, door „het" ongeloof, d. w. z. het ongeloof, dat zoo gewoon is bij de menschen. —

duidt een sterke tegenstelling aan: maar integendeel. 'EvfSuvx/tüóy kan zijn: passivum (vgl. Hebr. 11:34) of medium (Ef. 6:10). Met het oog op „twijfelen" verdient het laatste de voorkeur boven het eerste. De belofte deed hem in innerlijke (iv in de samenstelling van het werkw.) kracht toenemen. — In de l8te ed. voegde Godet irlarei bij het volgende: door het geloof God de eer gevende. Daar „God de eer geven" in de Schrift echter een vaststaande uitdrukking is, schijnt het beter er niets bij te voegen. Men verbinde dus Tiara met „hij sterkte zich"; niet „door", maar „in" het geloof. !) — De mensch is geschapen om God to verheerlijken. Zoo niet door zijn gehoorzaamheid, dan door zijn geloof. Abraham verheerlijkte God door onwrikbaar te vertrouwen op Zijn woord alsmede op Zijn macht om dat woord in vervulling te doen treden.

Vs. 21, 22: ten volle overtuigd, dat Hij wat Hij

1) Sauday-Headlam onderstelt als subj. van iveouvccnuiy: to vevtKfu/.lévov eci/Toü trünx, dat door het geloof nieuwe kracht ontving om Izatik te verwekken. Ook in den Talmud wordt gezegd, dat Abraham daartoe in zijn natuur vernieuwd werd. Zie Hebr. 11:11, 12. Euthymius Zigabenus: ivtSuvapuiif elf icotiSoryovlotv tjj tcIittsi.

2) F O It. laten neti weg.

Oodit/Jomeib, Romeinen. 19

Sluiten