is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hxxiou. Waarom staat vóór het eene woord het art. en vóór liet andere niet? Waarom heeft de tweede zin xxi, hetwelk een klimax en bijgevolg een onderscheid tusschen de twee voorbeelden aanduidt? De uitleggers zijn op deze onhoudbare verklaring gekomen door de moeielijkheid, een voldoend onderscheid aan te wijzen tusschen de woorden Sikxi'cu en uyxóoü. Volgens Olshausen is de eerste een mensch, die niemand kwaaddoet, de tweede een mensch, die positief goeddoet. Volgens Sanday-Headlam houdt de eene zich alleen aan zijne verplichtingen, terwijl de andere ook wel meer wil doen. Volgens de Wette is de eene alleen rechtvaardig, de andere daarbij ook edelmoedig. Volgens Hodge dwingt de eene achting, de andere liefde af. Volgens Van Hengel is de eene probus coram Deo, i. e. venerabilis; de andere bonus in hominum oculis i. e amabilis. Volgens Ewald is de rechtvaardige op een speciaal punt, de goede op alle punten onberispelijk. Philippi houdt den rechtvaardige voor een rechtschapen, den goede voor een edel en beminnelijk mensch, die een zegen is voor zijn omgeving, voor zijn huisgezin, voor zijn stad, voor zijn land, in één woord de pater patriae (zoo zoekt hij het art. tov te verklaren). Tholuck e. a. zien in den goede den weldoener; het art. zou dan rhetorisch zijn, evenals b.v. in de uitdrukking „de filantroop". Alle eer aan de groote geleerdheid, waarmede de verschillende uitleggers hunne onderscheidingen hebben verdedigd, maar inderdaad schrijven de meesten den apostel een spitsvondigheid toe. Bovendien is de bijvoeging van het art. door niemand voldoende verklaard. Reuss laat het in zijn vertaling dan ook eenvoudig weg. Hieronymus, Erasmus, Luther, Melanchton nemen de beide woorden onzijdig „het rechtvaardige", „het goede". Bij het eerste woord gaat deze vertaling niet op, daar het art. dan niet had mogen ontbreken. Maar wat het tweede woord betreft, komen wij misschien zoo op den goeden weg. Niets verhindert ons, üirïp rov iyxiol te vertalen met „voor het goede" (Rückert, Hofmann, Lipsius, Rahse, Otto e. a.), mits men „het goede niet gelijkstelle met „het nuttige'. De tegenstelling met