is toegevoegd aan je favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Do minor van het syllogisme luidt (vs. 6—8): „God heeft ons, goddeloozen, liefgehad en wel in die mate, als wij zeiven het allervoortreffelijkste niet liefhebben". De major zou moeten zijn: „Hij, die het meerdere voor Zijne vijanden heeft gedaan, zal ook wel het mindere voor Zijne vrienden doen". Paulus gaat dadelijk tot de conclusie over, waarin de major ligt opgesloten, lleuss verklaart den overgang van vs. 8 op vs. 9 alsof ten slotte de hoop nog op een derde overweging rustte. Zóó onlogisch en onsamenhangend schrijft de apostel niet.

Vs. 9, 10: „Veelmeer dan zullen wij, nu door zijn bloed gerechtvaardigd, door hem behouden worden van den toorn; 10 want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door den dood Zijns Zoons, zullen wij veelmeer, verzoend zijnde, behouden worden door zijn leven;"

„Dan" vormt de conclusie uit het door ons reeds ontvangen bewijs der liefde tot de liefde, waarop wij in de toekomst kunnen rekenen. „Veelmeer" moet logisch worden opgevat; niet: „veel overvloediger", maar: „veel zekerder". — Terecht zegt Meyer, dat de conclusie niet is a minori ad majus maar a majori ad minus. Hij, die het meerdere, en wel voor vijanden, gedaan heeft, zal voor hen ook het mindere doen, nadat zij van vijanden vrienden zijn geworden. Hetgeen reeds geschied is wordt uitgedrukt door de woorden „daar wij nu door zijn bloed gerechtvaardigd zijn . „Nu stelt den tegenwoordigen toestand van rechtvaardiging tegenover den vorigen toestand van oordeel (toen wij nog zwak waren, toen wij nog zondaren waren, vs. 6, 8). De nieuwe toestand is veel meer dan de oude onvereenigbaar met den eeuwigen toorn. — Maar van welken toorn moeten wij nog worden verlost? Het antwoord geven Itom. 2:5, 6; 1 Thess. 1 :10; 2 Thess. 1:8; Luk. 12:47, 48. De gerechtvaardigde heeft alle reden tot waakzaamheid, maar niet tot vrees.

Godït/Jonkeb, Romeinen. 20