is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het verband eischt dit. De apostel wil niet zeggen: „indien wij tevoren, toen wij God haatten, door den dood van Zijn Zoon een andere gezindheid tegenover Hem verkregen hebben, hoeveel zekerder zullen wij nu, nu wij God liefhebben, behouden worden door diens leven!" Er is sprake niet van de liefde van den mensch tot God, maar van de liefde van God tot den mensch. De gedachte is deze: „indien God ons, toen wij voorwerpen van Zijn toorn waren, begenadigd en gerechtvaardigd heeft door het bloed van Christus, zoo is het veel zekerder, dat Hij nu, nu wij gerechtvaardigd zijn, ons niet weder tot voorwerpen van Zijn toorn zal maken, maar door het leven van Zijn Zoon ons heil voleindigen za . De opmerking van Oltramare, dat „zich verzoenen^ in het N. T. nergens van God gebezigd wordt, is juist; wèl wordt gezegd: God heeft ons, God heeft de wereld met Zichzelven verzoend (2 Kor. 5:18, 19). Maar dit ligt ook voor de hand. De gewijde schrijvers gevoelden, dat de wijze, waarop God Zich met de menschen verzoent, niet vergeleken mag worden met de wijze, waarop een mensch zich met zijns gelijken verzoent. God moet Zelf beginnen met Zijne rechtvaardigheid voldoening te schenken en Zijne majesteit hoog te houden om daarna te kunnen vergeven. Dit is bij de verzoening van menschen onderling onnoodig en hangt samen met de souvereiniteit van God als Vertegenwoordiger van het Goede.

In plaats van „bloed" heeft vs. 10, algemeener, „dood . Weiss houdt tv rSj ocutou voor de aanwijzing van het einddoel des heils: „ingeleid in het verheerlijkte leven van Christus". Maar iv kan na het voorafgaande iv mtunt (vs. 9) slechts instrumentale beteekenis hebben. Dit volgt ook uit 3i' ocurou, waarmede het parallel loopt. Er is sprake van de werkzaamheid van den verheerlijkten Christus. De rechtvaardiging is niet het geheele heil, maar slechts de ingang tot het heil. Wanneer de zonde in de geloovigen bleef heerschen, zou ten slotte de toorn weder losbarsten. Want „zonder heiliging zal niemand den Heer zien (liebr. 12: 14); vgl. H. 8 : 13; 1 Kor. 6:9; Gal. 6:7,8. Op do