is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Eva, omdat Adam de vertegenwoordiger der menschheid is. „Zonde" moet zoo algemeen mogelijk worden opgevat. Paulus spreekt niet speciaal van de zonde als neiging of als daad, noch van individueele of collectieve zonde, maar van het beginsel, als een beginsel van opstand, waarbij de wil des menschen in al zijne verschillende vormen en openbaringen tegen den wil Gods in verzet is gekomen. Holsten ziet in de zonde een objectieve macht, welke zelfs bij Adam het menschelijke bestaan beheerscht. Op bijbelsch standpunt echter bestaat de zonde alleen in den wil en bestaat zij niet buiten den wil van het schepsel. Julius Müller komt van een tegenovergestelde zijde tot een dergelijk resultaat; volgens hem is de wil der menschen bedorven door een zonde, welke aan het aardsche bestaan voorafging. In beide gevallen had de apostel moeten zeggen: de zonde is met of in (niet door) den eersten mensch in de wereld gekomen. Oltramare wil de oude rationalistische opvatting hernieuwen, volgens welke de zonde van Adam niet meer dan de eerste zonde was. Ei<ri5echter wil zeggen, dat een macht, die voortaan de ontwikkeling der menschheid zal beheersclien, haar loop in de wereld begonnen is. Anders zou de zonde niet in de wereld en over alle menschen, maar alleen in den eersten mensch zijn gekomen. — „Wereld" is hier niet het heelal, noch de aarde, maar de menschenwereld (Joh. 3:16). De eerste zonde heeft een toestand van zonde in het leven geroepen.

Paulus wil echter niet spreken over den oorsprong der zonde, maar over den oorsprong des doods. Daarom vervolgt hij aldus: en door de zonde de dood (nl. in de wereld gekomen is). Hij zou natuurlijk langer bij de zonde hebben stilgestaan, wanneer hij nu reeds met de heiliging bezig was; hij heeft het echter nog over de rechtvaardiging; hierbij behoort het oordeel d. i. de dood. — „Dood" beteekent in de Schrift: 1 ® den physieken dood, de scheiding van lichaam en ziel, waardoor het lichaam aan de ontbinding wordt prijsgegeven; 2e den geestelijken dood, den toestand van de ziel, die los is van God en verdorven wordt door hare eigene begeerlijkheden (Ef. 4:22); b.v. H. 7 : 10; vgl. Ef. 2:1, 5;