is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de draagster is van den dood. Die verwijzing viudt men in het slot van vs. 12, met een conj. aan het vorige verbonden. Wat beteekent deze conj.?

Julius Muller vertaalt £$' w met: gelijk inderdaad; llotlie met: onder beding dat, onder de nadere bepaling dat (stti tsutu xuts) ; Ewald, Van Hengel met: voor zoover (= öaov); Reitsma met: weshalve, quapropter (t. a. p. bl. 28b v., vglnaar aanleiding hiervan S. A. van den Hoorn, Stud. IV, bl. 426 v.). Het is een attractie voor cVi tsutw Sti = propterea quod = naardien, omdat.

Naardien zij allen gezondigd hebben. In Adam, Adamo peccante, ipso actu quo peccavit Adamus, voegen sommigen (ook Godet) er bij. Er is echter niets, dat ons tot deze aanvulling recht geeft. De voorstelling, dat allen in Adam gezondigd hebben, heeft Paulus niet, wel die van een stetven in Adam (1 Kor. 15: 22).

Volgens den apostel is dus de dood tot alle menschen doorgegaan, omdat zij allen gezondigd hebben. Maar komt hij niet in tegenspraak met zichzelven, als hij hier en in vs. 15, 16, 17, 18, 19 het kwaad van één mensch afleidt? Wordt de tegenstelling niet onzuiver, wanneer al het heil uitsluitend van Christus afkomstig is? Men overdrijve niet en neme de geïncrimeerde woorden niet uit hun verband om ze een nadruk te geven, dien zij niet hebben. ') Boveudien mag men niet vergeten, dat niet de zonde maar de dood op den voorgrond staat. Door éen mensch is de zonde in de wereld gekomen en door de zonde de dood. En aangezien aldus zonde en dood van elkander onafscheidelijk zijn, is de dood tot alle menschen doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben — waaruit blijkt dat de zonde, de draagster van den dood, tot allen is doorgegaan. De voorstelling, dat de dood tot alle menschen is doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben, is niet in strijd met de voorstelling, dat de dood door Adam over alle menschen gekomen is, want, gelijk Weiss terecht opmerkt, wordt bij de eerste voorstelling

1) Ygl. Sauday-Headlam 134, 136—138.