is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

één mensch"; men geeft aan Sf (13b) een beteekenis, die liet niet hebben kan; men laat den apostel een probleem stellen, welks oplossing hij veronderstelt (Allen sterven om hun eigen zonden; maar de zonde wordt niet toegerekend, als er geen wet is; dus hadden de menschen tussclien Adam en Mozes niet behoeven te sterven. En hierop zou Paulus alleen antwoorden (vs. 14): „maar men stierf; hieruit volgt, dat men verdiende te sterven," zonder er verder iets bij te voegen!).

De bedoeling is deze. De menschen, die tusschen Adam en Mozes leefden, stierven. Maar er was nog geen wet; de zonde werd hun derhalve niet toegerekend. Hun sterven kon dus niet hierop berusten, dat zij door hunne zonden den dood hadden verdiend. Toch stierven zij, omdat door Adam's zonde de dood in de wereld gekomen was, omdat de zonde draagster geworden was van den dood en dus ook voor hen den dood medebracht.

Vs. 13. Origeues, Chrysostomus e. a. nemen &xpi in den zin van „gedurende" (zie Hebr. 3: 13), maar uit vs. 14 blijkt, dat deze beteekenis hier niet past. — Het ontbreken van het art. vóór vó/.uu verhindert ons niet, aan de wet van Sinaï te denken, ofschoon als wet, niet als mozaïsche wet (zie het tweede gedeelte van het vers). — De zonde heerschte als beginsel, als macht in de geheele wereld, zelfs bij de besten. Toch kon dit de reden niet zijn dat men stierf, omdat er geen wet was. Oltramare wijst op den zondvloed en de verwoesting van Sodom om aan te toonen, dat de menschen, ook toen er nog geen wet was, wel degelijk vanwege hunne zonden stierven. Echter bestaat de straf hier niet in den dood op zichzelf, maar in het eigenaardig karakter van den dood. Ook zonder groote zonden zouden die menschen gestorven zijn (vgl. Noach, Abraham enz). Ambrosius, Augustinus, Luther, Calvijn, Beza, Melanchton, Rückert, Julius Muller, Mangold, W. Schmidtl) e. a. denken

1) A a. O. S. 42, 43: men rekende het zichzelf niet toe. En hoo minder de mensch zijn zonde gevoelt, des te meer heeft de (geestelijke) dood heerschappij over hem. Schürer noemt (Theol. Lit.-Zeit. B98, n<> 12) het boekje van Schmidt eene „unsaglich oberflüchliche Leistung .