is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij è^Koysïv niet aan een Goddelijke, maar aan een subjectieve toerekening in dezen zin: de menschen rekenen het zichzelf niet toe: vgl. echter vs. 14 en H. 4:15. De wet was noodig om de xxxpzix tot TrxpxPxei; te maken; eerst de overtreding verwekt Gods toorn en de straf des doods. 'EWcysïv heeft ook in Philem. vs. 18 — de eenige plaats in het N. T., waar het nog voorkomt — geen subj. beteekenis. liet woor lje iv in de samenstelling van het werkw. komt overeen met ons: „in" rekening brengen. De subj. negatie w wordt hier gebruikt, omdat er van een veronderstelling sprake is. — Ültramare meent, dat dit vers het antwoord moet zijn op een mogelijk bezwaar van een joodsch-christelijken lezer, die de zonde alleen als strafbaar beschouwen kon, als er een wet was. Echter zal die joodsch-christelijke lezer er wel weinig behoefte aan gehad hebben, een Heiden, die zonder wet zondigde, te rechtvaardigen of ook maar te verontschuldigen.

Vs. 14. 'S.i.hx duidt een sterke tegenstelling aan. Hoewel er geen wet was en de dood der menschen dus geen straf voor hunne zonden kon zijn, heeft toch de dood geheerscht, omdat door één mensch de zonde in de wereld was gekomen en door de zonde de dood, en alzoo de dood tot alle menschen was doorgegaan, naardien allen gezondigd hadden. Oltramare weet met %xhx geen weg. Hij verklaart het aldus. De zonde wordt niet toegerekend, als er geen wet is; derhalve konden de menschen in dien tijd niet vanwege hun zonden sterven; maar wat geeft dat? het is een feit, dat men stierf. — De uitdrukking „heeft geheerscht" zegt meer dan „heeft bestaan". Die niet gezondigd hadden in gelijkheid van de overtreding van Adam, hadden niet als hij een positief gebod overtreden, omdat het voor hen niet bestond (Weizsacker: in derselben Weise der Verletzung eines Gebotes, wie Adam). Fritzsche, Meyer, Oltramare meenen, dat xxi slechts een gedeelte van de menschen uit dien tijd omvat, niet b.v. Noach en zijne zonen, die wel een gebod hadden ontvangen (Gen. 9:3 v.). Noach en zijne zonen zouden dus gestorven zijn, omdat zij het gebod van Gen. 9;