is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet dienen als bewijs voor iets tegenwoordigs. En waarop rust de zekerheid van het feit, dat de geloovigen eenmaal in het leven zullen heerschen? Godet antwoordt, tevens het verband tusschen vs. 17 en vs. 1G toelichtende: De waarheid van vs. 17b volgt uit vs. 17a. Wanneer een zóó geringe oorzaak als de overtreding van één sterk genoeg was om een rijk des doods te stichten, zal de genade nog veelmeer bij machte zijn een rijk des levens te scheppen. Dit rijk des levens nu onderstelt noodwendig de volkomen rechtvaardiging. Vs. 17b wordt dus eerst bewezen door vs. 17® en bewijst daarna op zijn beurt vs. 16. Het verband tusschen vs. 17 en vs. 16 is echter niet zóó nauw, want in vs. 17 wordt behalve op vs. 16 (rij.; Suipsxs rij; ^iK»ioaóf>i?) ook op vs. 15 Trepitrtreixv rij? %xpiT0i) gezinspeeld. Txp slaat o. i. niet slechts op vs. 16, maar op de hoofdgedachte der geheele vergelijking (vgl. Lipsius).

In plaats van „door de overtreding van één" hebben sommige afschrijvers gelezen „door één overtreding" of „door de ééne overtreding". Beide lezingen zijn opzettelijke verbeteringen, aangebracht om de schijnbare tautologie met 3tx roü êvo'i te vermijden. De dood heeft geheerscht; er was geen tegenstand mogelijk. Welk een droevig karakter had die bedeeling des doods! En toch trekt de apostel uit dit wanhopige feit een heerlijke conclusie (zie vs. 15): veelmeer enz. Godet vindt in \xi/.i3xvovTe$ niet slechts het geloovige aannemen, maar ook een versterking van de tegenstelling, omdat bij de heerschappij van den dood de individuen passief zijn. Dit komt ons wat gezocht voor. De overvloed enz. staat tegenover de overtreding van één. rtsAAcD [txXhov, evenals in vs. 15 logisch. Het part. praes. kxplSJiwTs? duidt aan, dat men nog voortdurend de gave ontvangt. Wij hebben hier een soortgelijke omkeering in de constructie als in vs. 15. Tegenover den dood zouden wij het leven als subj. verwachten; echter treden de personen op den voorgrond. Het leven heerscht niet over de geloovigen, maar door hen. De mensch, die vroeger slaaf was, wordt koning. Het fut. fixtriXevaouetv duidt aan, dat het heerschen der geloovigen nog

Godit/Jonker, Romeinen. 22