is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

neutr. — Sommigen onderstellen in de tweede helft van den zin een fut. ysvyireTxi of oczofiweTzi, met het oog op het fut. van vs. 19b. Intusschen wettigt vs. 18» en liripivrivTcv van vs. 15 meer de veronderstelling van een verleden tijd, zoo men niet, omdat het een tegenwoordige bedeeling geldt, de voorkeur wil geven aan een praesens. — Bij oütu xxi drukt het eerste woord de gelijkenis uit, het tweede de herhaling van een analoog feit. — Men zou als tegenstelling van 7rxpx7TTu(Ax een woord kunnen verwachten, dat het werk aanduidde, hetwelk Christus in gehoorzaamheid volbracht. Inderdaad hebben sommige uitleggers een dergelijke beteekenis aan Ztxxicoftx gehecht. Hofmann denkt aan den staat der gerechtigheid van Christus; Dietzsch aan Zijn heilig leven, als beginsel van een geheiligde menschheid; de Wette aan Zijn volmaakte gehoorzaamheid. Aucxiccpx komt echter van Sixxióu) niet van 3ixxioc. Wij kunnen daarom ook geen vrede hebben met de verklaring van Rothe, die de voorkeur geeft aan weer goed maken, of aan die van Philippi, die dacht aan de vervulling van het recht. Bovendien zou men dan den apostel in vs. 18 laten zeggen, hetgeen hij eerst in vs. 19 zegt; daar is sprake van virxxoti, niet hier. Tegenover kxtxxpi/xx heeft itxxiu/.ix dezelfde beteekenis als in vs. 1G. Vgl. ook Van Hengel, p. 527, 528. — EU 3ixxicctriv doelt op de individueele rechtvaardiging, waardoor God iederen geloovige de vrijspraak in Christus toerekent. „Alle menschen" beteekent daarom niet „alle geloovigen". De vrijspraak is voor allen, zonder dat biermede de noodzakelijkheid van een persoonlijke toeëigening door het geloof wordt ontkend. Hoewel de rechtvaardiging in Christus voor allen is, wat hare geldigheid betreft (quantum ad sufficientiam), is zij toch, wat haar wezenlijke werking aangaat (quantum ad efficientiam), alleen voor de geloovigen (Thomas van Aquino). — De gen.

moet verklaard worden: de rechtvaardiging, die het leven bewerkt; deze gedachte komt II. 6—8 aan de orde. Dit leven staat tegenover den dood (= veroordeeling), waaruit volgt, dat het, hoewel vóór alles geestelijk van aard, toch ook het leven van het verheerlijkte lichnam in zich sluit

22*