Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geopend, gelijk de Joden meenden. Zij speelt geen hoofdrol in de wereldgeschiedenis. Ten onrechte heeft men uit de gebezigde uitdrukking opgemaakt, dat de wet in het geheim, of tusschen beiden (Adam en Christus), of in het voorbijgaan, voor een tijd, gekomen was. — De wet is er bij gekomen om de overtreding meer te maken. Sommigen vatten irxpxTTTccnx collectief op. Godet denkt met Philippi aan de overtreding van Adam, in zoover deze als booze neiging in het hart van zijne nakomelingen aanwezig is. Dit laatste er bij te denken, is gezocht. De overtreding, die, in verband met het vorige, de overtreding van Adam moet zijn, wordt door de voortdurend nieuw er bij komende wetsovertredingen meer. Deze gedachte heeft niets vreemds, wanneer men in het oog houdt, welke plaats de overtreding van Adam in het gevoerde betoog bekleedt. — Maar heeft God de wet met dat doel gegeven? Men stoot zich hieraan en wil van „opdat" „zoodat" maken, hetgeen grammatikaal ongeoorloofd is en de moeielijkheid niet oplost. Non crudeliter hoe fecit Deus, sed consilio medicinae (Augustinus). De zonde moest zich in al haar slechtheid openbaren, opdat de menschheid, vernederd en wanhopig, haar toevlucht zoude nemen tot de genade Gods.

Rothe en Tholuck zien in vs. 20b een tusschenzin en maken "va van vs. 21, evenals het vorige "va, afhankelijk van „de wet is er bij gekomen". Meer voor de hand ligt, vs. 20b zelfstandig op te vatten. Waar de overtreding meer wordt, neemt ook de zonde (als macht) toe; zoo zal men het verwisselen van tx/ixtttui-ix met xf^xprlx moeten verklaren. Men vat su soms temporeel op (Grotius, de Wette): op het oogenblik, dat. Met het oog op H. 4:15; 2 Kor. 3: 17 geven wij de voorkeur aan de locale beteekenis. Maar dat wij nu aan Israël en niet aan de geheele menschheid te denken hebben (Godet), blijkt geenszins uit het verband en schijnt ons met de algemeene strekking der pericoop in strijd. — Niet: de genade heeft zichzelve overtroffen (Hofmann), maar het „meer worden" van de zonde. 'EtAsóvxvev en urspszepictrewsv staan tot elkander als comparatief en superlatief. —

Sluiten