is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De ontwikkeling van het thema brengt vanzelf de behandeling van dit punt met zich. Men behoeft niet te denken aan een polemisch of apologetisch doel met het oog op de joodsch-christelijke richting, die in de gemeente te Rome heerschte (Mangold), of hier eenigen invloed begon te krijgen (Weizsacker). Wanneer Paulus de zedelijke vruchten van het evangelie (II. G) met die van de wet vergelijkt (H. 7), doet hij dat om te bewijzen, dat het evangelie recht heeft om, in plaats van het Jodendom, de zedelijke leiding der menschheid op zich te nemen. Er is sprake van het Jodendom, niet, zooals in den brief aan de Galatiërs, van het joodscbe Christendom. Het vraagstuk van de waarde der wet, reeds bij de behandeling van de leer der rechtvaardiging ter sprake gebracht (H. 3), moet ook hier aan de orde komen (H. 7). H. 6 is zuiver didaktisch; de polemische tendenz komt alleen uit in H. 7 maar maakt in H. 8 weder plaats voor een positieve uiteenzetting, zonder spoor van apologie of polemiek.

Dat het denkbeeld van het christelijk universalisme de hoofdgedachte van den geheelen brief zou zijn, is onjuist: de tegenstelling van universalisme en particularisme wordt in deze hoofdstukken gemist.

Paulus durft aan het zedelijk leven der menschheid een zuiver geestelijken grondslag geven, omdat hij zelf ervaren heeft hoe de wet niet, het evangelie wèl kracht tot heiliging heeft. Ilij generaliseert hier wat hij zelf heeft ervaren. Vandaar het persoonlijke in zijn voorstelling (vgl. H. 7:7—8:2).

Eerste Afdeeling.

H. 6:1—7:6.

Het beginsel der heiliging, in de rechtvaardiging

DOOR IIET GEI,oor OPGESLOTEN.

Deze afdeeling is bestemd om de grondslagen der christelijke heiliging te leggen. Zij bestaat uit drie stukken.

Het eerste stuk (H. 6: 1—14) wijst in het voorwerp van