is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

punt is van de leer der genade, en dat men dus ook aan de voorafgaande uiteenzetting in haar geheel te denken heeft.

De conj. è7rif/,évu,u£v (iTrifievoïifAcv komt misschien uit èpoüntv voort) moet niet in exhortatieven zin genomen worden:

Zullen wij elkander opwekken om — ? (Hofmann),

maar deliberatief: Willen wij, moeten wij blijven? Bij deze reflectie past 7vx zeer goed. — Het antwoord luidt kort en krachtig:

Ys. 2: „Dat zij verre! Wij, die der zonde gestorven zijn, hoe zullen wij er nog in leven ')?"

De gemaakte onderstelling wordt met afschuw verworpen. — Het pron. relat. onivec is qualificatie: menschen, die, als

wij . De geloovigen bezitten een eigenschap, welke

zulk een gedachte uitsluit; zij zijn nl. menschen, die door den dood zijn heengegaan. De aor. iirrfHvonev geeft iets te ker,nen, hetwelk eens voorgoed is geschied. Men heeft natuurlijk niet te denken aan den dood, waarmede de mensch in Adam gestraft is, door de zonde of voor de zonde; rjj iiMftiof. is een dativus van relatie, vgl. de uitdrukking: der wet sterven (H. 7:4; Gal. 2 : 19), en: der wereld gekruisigd zijn (Gal. 6: 14). Afsterven is radikaal breken met iets. De dood duidt de meest absolute scheiding aan. De geloovige kan niet in de zonde blijven, omdat de betrekking tusschen hem en de zonde heeft opgehouden. 2)

Weiss e. a. meenen, dat dit sterven heeft plaats gehad bij den doop (vs: 3). Hiertegen kan worden ingebracht: 1® dat de doop in vs. 4 niet met den dood, maar met de hierop gevolgde begrafenis wordt vergeleken; 2e dat H. 7: 4 (gij zijt der wet gedood door het lichaam van Christus) aanleiding geeft tot een andere verklaring. Beek wijst op de rechtvaardiging , maar deze wordt wèl met het leven, doch nooit

1) CFG L: in plaats vau

2) Over ,,de betrekking yaa de 1011de tot den Christen, naar Rom. VI" schreef Blom in liet Theol. Tijdsclir. van 1880.