is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vs. 7: „Want die gestorven is, is vrijverklaard van de zonde."

Erasmus, Tholuck, de Wette, Philippi, Hodge, Gess, Morison e. a. verklaren o iiroixvuv aldus: hij, die der zonde gestorven is (vgl. vs. 6, 8). Over de beteekenis van zijn de meeningen verschillend. Hodge, Gess, Morison b.v. denken aan de bevrijding van de schuld (rechtvaardigen, in den gewonen paulinischen zin); anderen aan de bevrijding van de macht der zonde. Met de eerste opvatting komen wij weder op het onderwerp der rechtvaardiging terug, hetwelk reeds afgehandeld is. *) De tweede zou geen bezwaar opleveren, wanneer het niet meer voor de hand lag o Amtmm, hetwelk hier (anders dan b.v. ook in het volgende vers) zonder bepaling voorkomt, in eigenlijken zin te nemen. Bedoeld wordt zoo in 't algemeen: iemand, die gestorven is. Aatxioüv kan hier dan niet de gewone dogmatische term van Paulus zijn. Een gestorvene, wil de apostel zeggen, heeft geen lichaam meer om in den dienst der zonde te stellen; mitsdien is hij wettiglijk uit dezen ouden dienst ontslagen, evenals een doode slaaf geen slaaf meer is. Een dergelijke redeneering vinden wij H. 7:2; vgl. ook H. 8 : 12: wij zijn niet schuldig aan het vleesch. In Iikmoüv ligt dan het begrip van „wettiglijk", in Snel dat van „ontslagen". — Men heeft ook gedacht aan een misdadiger, die zijn misdaad uitwischt door het ondergaan van zijn straf, maar behalve dat niets ons recht geeft tot zulk een speciale toepassing van i tó, zouden wij zoo ook weder op het punt der rechtvaardiging terugkomen.

De keerzijde van den dood is de opstanding. Deze gedachte, reeds iu vs. 4, 5 aangegeven, wordt nu vs. 8-10 ontwikkeld.

Vs. 8—10: „Indien wij nu met Christus gestorven

1) Dit geldt ook tegenover Miohelaen, die ixi rï; n«« wil verwijderen.