is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn, gelooven wij, dat wij ook met Hem ') zullen leven 2), 9 wetende, dat Christus, na uit de dooden te zijn opgewekt, niet meer sterft; de dood heerscht niet meer over Hem. 10 Want wat Hij gestorven is, is Hij der zonde eenmaal gestorven; en wat Hij leeft, leeft Hij Gode."

As wijst den voortgang der redeneering aan. Het deelgenootschap aan Christus' dood wordt voorgesteld als een afgedaan feit (zie 5»), het deelgenootschap aan Zijn leven als toekomstig. Daarom heet het in vs. 8^: wij gelooven. 3) Bij den doop heeft de geloovige het der zonde gestorven zijn achter, het leven met Christus vóór zich. In het leven eigent men zich het heilig leven van den Opgewekte meer en meer toe.

Vs. 9. De zekere verwachting van het deelgenootschap aan Christus' leven berust op de wetenschap van een positief feit (iïïótcc). Dit feit is het onvergankelijke leven van den opgewekten Heer: Hij sterft niet voor de tweede maal. Doordat wij nu deel hebben aan Zijn dood, hebben wij ook deel aan dat leven, dat voor den dood ontoegankelijk is. Evenmin als voor Jezus, is er voor ons een terugkeer in het oude leven denkbaar (zie vs. 2). — De laatste woorden van vs. 9 vormen een zelfstandigen zin. Het verbreken der constructie stelt de uitgesproken gedachte scherper op den voorgrond.

Vs. 10a zegt, waarom Christus kon sterven; vs. 10b, waarom Hij het nu niet meer kan. "O beteekent hier niet: voor zoover, maar is direct voorwerp (vgl. Gal. 2: 20). Wat Christus gestorven is, is Hij in betrekking tot de zonde gestorven. Van Christus kan natuurlijk niet in denzelfden zin als van den geloovige gezegd worden, dat Hij der zonde gestorven is. Men mag „der zonde sterven" evenwel ook

1) D E F G It. Syrscli: ru xpirru ia plaats van avrai.

2) CKP: o-1/^Vai/.cev in plaats van 3} Zie Prot. Bijdr IV, 372.