Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet van een verondersteld af, omdat de her¬

haling in dit geval onnoodig zou geweest zijn, maar van oichx Iikxiovuw;.

Vs. 14: „De zonde toch zal over u niet ') heerschen, want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade."

Ilier is geen vermaning in den vorm van een futurum. Waarom zou de apostel dan niet wederom een imp. gebruikt hebben? Het is de aankondiging van hetgeen gebeuren zal en bijgevolg een heerlijke belofte, welke belofte natuurlijk opwekkende kracht heeft.

„Onder de wet zijn" wil zeggen, dat men zich inspant om door gehoorzaamheid aan Gods geboden het Goddelijk welgevallen deelachtig te worden. Het houdt in: vreeze en beven, want van dat welgevallen hangt ons leven en ons heil af, en het doen van Gods geboden is voor den zondaar geen gemakkelijke taak. „Niet meer onder de wet zijn" beteekent, dat men het welbehagen Gods niet langer op die wijze zoekt deelachtig te worden, zijn toevlucht tot genade neemt en op die genade bouwt (Gess).

Die genade, welke de opheffing van het oorleel, de rechtvaardiging voor God, het genot van Gods welbehagen, het deelhebben aan Gods Geest in zich sluit, geeft aan de ziel een zegevierende kracht, terwijl de wet het hart met vrees voor het oordeel vervulde en daardoor krachteloos maakte. Daarom kan niet de wet, wèl de genade de zonde overwinnen. Vóór vóftov staat gee'i art.; toch hebben wij aan de wet van Mozes te denken, maar als wet, niet als mozaïsche wet. Wat hier gezegd wordt, geldt van iedere wet. „De wet eischt", zegt Gess, „de genade geeft". — Maar waarom bij „genade" de praep. üttó in plaats van iv? Is de genade een juk? Is zij niet veelmeer leven, kracht? Paulus spreekt hier van de heerschappij der genade; zij wil met niet minder gezag dan

1) ttK: ovxeri in plaats van ov.

Sluiten