Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is nu nog alleen de vraag, of het nieuwe beginsel van heiliging bij machte zal zijn om, zonder hulp van een wet, den mensch te beheerschen. Vandaar ook het verschil tusschen de beide vragen. In vs. 1 vroeg de apostel: willen wij in de zonde blijvenP hier: willen wij zondigen? De aor. duidt niet, gelijk het praes., een voortdurenden toestand, maar een geïsoleerde daad aan: willen wij zonde doen Een geloovige zal niet licht zeggen: omdat er genade is, blijf ik dezelfde, die ik geweest ben. Maar hij kan toch wel op grond van de genade eenige toegeeflijkheid tegenover de zonde geoorloofd achten. De apostel vervangt ook „opdat de genade meerder worde" door „omdat wij onder de genade zijn". Er is een fijner vergift, dat zoo licht het hart van den besten Christen binnensluipt, het woord: laat ons zondigen, niet: opdat de genade overvloedig zij, maar: omdat de genade overvloedig is (Vinet). — Waarom zou men hier dan bestrijding van wettisch, joodsch Christendom veronderstellen, terwijl het arglistig hart van den mensch zelf slechts al te gemakkelijk zulk een vraag bedenken kan? Ook in het vervolg is er van de onderwerping van den Jood aan de wet geen sprake.

„Dat zij verre" van vs. 15 wordt gerechtvaardigd door ySt 16—19, een beschrijving van de onderwerping aan de gerechtigheid, die de onderwerping aan de zonde bij dc geloovigen te Rome vervangen heeft.

Vs. 16: „Weet gij niet, dat wien gij uzelven tot dienstknechten ter gehoorzaamheid stelt, gij dienstknechten zijt van hem, dien gij gehoorzaamt, of van de zonde tot den dood, of van de gehoorzaamheid tot gerechtigheid?"

Bidjon (t. a. p. bl. 13) verwerpt terecht de conjectuur van Lachmann, die ü? virxx.ovsTe in plaats van w uttxxouste wil lezen. Weisse schrapt Scvï.ouz en $ ■jxxkïusts. Michelsen houdt het geheele vers voor geïnterpoleerd. Van Manen (t. a. p.

Sluiten