Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de gerechtigheid. 21 Welke vrucht dan hadt gij toen? Dingen, waarover gij u nu schaamt; want het einde daarvan is wel ') de dood."

Weiss wil vs. 20 bij het vorige voegen. Wij hebben hier echter eerder met een inleiding, dan met een conclusie te doen; zie het begin van vs. 22. — „Want" slaat op de vermaning van vs. 19b. Welk een bittere vernedering ligt in dat „vrijen met betrekking tot de gerechtigheid"!

Vs. 21. Wat was het resultaat van die schandelijke vrijheid? De apostel spreekt van Kx/nró? en réioc. Vrucht hebben beteekent hier, evenmin als H. 1 : 13, hetzelfde als vrucht voortbrengen. Over de beteekenis van de volgende woorden „dingen, waarover gij u nu schaamt" denken de uitleggers verschillend. De peschitto, Erasmus, Luther, Melanchton, Tholuck, de Wette, Olshausen, Philippi, Reuss, Oltramare, Weiss e. a. zien daarin een antwoord op de gestelde vraag. Chrysostomus, Beza, Grotius, Bengel, Fritzsche, Meyer, Sanday-Headlam laten de vraag doorloopen: Welke vrucht hadt gij toen van de dingen, waarover gij u nu schaamt? Het antwoord zou dan verzwegen zijn: geen vrucht, of: een treurige vrucht. Intusschen geeft de verlenging der vraag aan den zin iets slepends. Men zou ook vóór £<J>' oJi; moeten invoegen: ênsivuv of êxelvuv. Weiss merkt bovendien terecht op, dat het begrip „schandelijke dingen" dan als iets bekends zou worden vermeld, terwijl er toch tevoren geen sprake van was. Ook doet de tegenstelling tusschen tots en vvv eerder aan twee zinnen, dan aan één zin denken. Eindelijk wordt in vs. 22 (den tegenhanger van ons vers) het tegenovergestelde resultaat als kxptós en als tsXo; voorgesteld. Dit ware onmogelijk, wanneer Meyer gelijk had met zijn bewering, dat „vrucht" noqjt een ongunstige beteekenis heeft (Gal. 5:22 in verband met vs. 19; Ef. 5:11, waar de ipyx: owotpirct.

1) B D E F G lezen: ptv (ro /iev yap); teit. ree. «ACELF niet.

Sluiten