is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In vs. 23 wordt het tweeërlei eindresultaat nog eens scherp tegenover elkander gesteld.

Vs. 23: „Want de bezoldiging der zonde is de dood; maar de genadegave Gods is het eeuwige leven in Christus Jezus, onzen Heer."

Ta, oi/uvtx heet de soldij, die de zonde aan hare krijgsknechten (vs. 12, 14, 22) uitbetaalt. Tegenover het loon staat to x&pi<t!aix. x) De hel is altijd verdiend, de hemel nooit (Hodge). Men kan iv Xpitrrü 'Ivi<jov rijt vt^üv met

£wvj ctluvios alleen of met to toü ieoiï »}üvios

verbinden. In het eerste geval wordt gezegd, dat wij het eeuwige leven door de gemeenschap met Christus Jezus bezitten; in het tweede, dat wij het aan Christus Jezus te danken hebben, dat de genadegave Gods het eeuwige leven is. 2) In de laatste beteekenis heeft de zin uieer kracht en verkrijgen wij beter slot.

Dat in vs. 23a een waarschuwing voor de geloovigen ligt opgesloten, volgt uit de geheele strekking van het stuk (zie vs. 15 en vs. 21). De genade redt ons, niet „iu", maar „van" de zonde.

VIJFTIENDE STUK.

H. 7 :1—6. s)

De geloovige is veij van de wet.

De apostel had niet slechts gezegd: „gij zijt onder de genade", maar ook: „niet onder de wet". De mensch kan

1) Volgens Zahn ia ook dit woord aan den krijgsdienst ontleend, Tgl. het zoogenaamde donativum (het geldgeschenk van den keizer aan de soldaten).

2) Volgens Lauterburg, die het charismatische en het ethische streng van elkander onderscheidt, vallen x,ci(i<rnx en xxpx-d; tov wevnuto$ in Christus samen.

3) Volgens „Verisimilia" bestaat dit hfdst. uit twee joodsche fragmenten: TS. 1 — 13 en 14—25.