is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Erasmus, een verkeerd begrepen plaats bij Chrysostomus voor den geest bad. 'xhmto* zou dan op de wet slaan; in bet verband is echter van het ^sterven der wet geen sprake. l)e lezing: „wij zijn ontslagen van de wet des doods" heeft waarschijnlijk haar ontstaan te danken aan het slot van vs. 5. — Is $ (èv u — tcutcc iv $) onzijdig, zoodat wij met Hofmann, Weiss e. a. aan de heerschappij der zonde of des vleesches te denken hebben, of mannelijk, zoodat het van de wet geldt? Het laatste, vgl. ook H. 6:16. Bewoorden: „door wie wij vastgehouden werden" zijn dan niet overtollig; zij herinneren aan het voorbeeld van vs. 1—3.

Deze vrijmaking loopt op een nieuwe dienstbaarheid uit. Niet een dienstbaarheid in oudheid der letter, maar in nieuwheid des Geestes. De Geest brengt den mensch in een nieuwen toestand, waarin het goede met gewilligheid en blijdschap wordt verricht (vgl. H. 8). Daartegenover (en hij noemt dit het laatste, omdat hij het dadelijk in vs. 7—25 nader wil ontwikkelen) stelt Paulus den ouden toestand, den toestand van den ouden mensch (H. 6:6), die voor den geloovige tot het verledene behoort. De letter is de geschreven wet, die vreemd tegenover den mensch staat en zelfs tegen zijn neigingen ingaat. In het beste geval gehoorzaamt men de letter, maar het hart heeft aan die gehoorzaamheid geen deel en God kan zulk een dienst niet aannemen.

De apostel heeft in H. 6: 1—14 aangetoond, dat de geloovige met Christus gestorven is; in vs. 15—23, dat tengevolge van de genade de gerechtigheid over hem heerscht; in H. 7:1—6, dat de wet geen recht beeft die heiligende werking der genade te verhinderen. Nu rechtvaardigt hij in een tweede afdeeling de veronderstelling van de eerste, dat „het juk der wet" en „de heerschappij der zonde" op hetzelfde neerkomen. *)

1) Eigenaardig formuleert Sehlatter liet aldus: ,,Wij hebben de wet niet noodig om vrij Tan de zonde te zijn; de gerechtigheid bindt ons aan zich (H. 6:15—23). God heeft ona Tan de wet verlost; wij breken dus met willekeurig met haar (H. 7: 1—6). Wij moeten van de wet verlost worden, omdat zij ons in de zonde vasthoudt en on9 uiet van haar bevrijdt (H. 7 : 7—25).