Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tweede Afdeeling.

H. 7 : 7—25.

De mensch onder de wet.

ZESTIENDE STUK.

H. 7 : 7—25.

Deze afdeeling bestaat slechts uit één stuk. De hoofdgedachte daarvan is deze: de wet stort den mensch eerst in den dood (vs. 7—13); daarna laat zij hem in dien toestand zichzelven afbeulen, terwijl zij niet bij machte is, hem er uit te verlossen; zij kan hem alleen zoover brengen, dat hij reikhalzend naar bevrijding uitziet (vs. 14—25).

Men zou kunnen vragen of de apostel, door over de onmacht der wet te handelen, niet een schrede terug doet? Had hij dit onderwerp niet reeds in H. 3 besproken ? Oogenschijnlijk wel, en dit is een van de redenen, waarom Reuss aan onzen brief stelselmatige orde ontzegt. In H. 3 echter heeft Paulus aangetoond, dat de wet geen macht heeft tot rechtvaardiging; hier, en dit is geheel iets anders, bewijst hij, dat zij geen macht heeft tot heiliging.

Het evangelie heeft de macht om te heiligen (H. 6: 1 7 : 6). Hoe staat het in dit opzicht met de wet? Deze vraag heeft niet alleen belang voor den apostel, in wiens leven de wet zulk een voorname plaats ingenomen had; een ieder moest de respectieve waarde van wet en evangelie ten aanzien van de heiliging kennen: de Jood om te weten of hij onder de wet moest blijven, de Heiden om te weten of hij zich onder haar moest stellen.

Het geheele stuk draagt een persoonlijk karakter (vs. 7, 8, 9, 10, 11, 14, 15, 22, 24, 23, zelfs H. 8:2). Wie is de èyu, van wien hier sprake is?

1. Volgens sommige grieksche uitleggers (Theopbylactus, Theodorus van Mops.): Paulus zelf — als vertegenwoordiger der menschheid van de eerste tijden van haar bestaan

Godet/Jonkkh, Romeinen. 25

Sluiten