is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den toestand, die van de daad het gevolg is, uitdrukt (de wet heeft mij gedood, en de wet is mijn dood geworden). Wij zullen zien, dat het eerste hier beter past. — Het werkw. van >j «t<tixprix kan zijn KXTep-yxtynhvi (scil. yv of èyévsTO; maaide zonde heeft den dood gewerkt), terwijl de analytische vorm den duur der handeling aanwijst (zoo Chrysostomus, Luther, Calvijn, Hodge e. a.) Liever houden wij ons aan de gewone constructie: >5 xfzxprix (scil. ino) iyèvero öxvxro;): de zonde is mij de dood geworden. „Opdat enz." hangt dan hiervan af. De zonde blijkt zonde te zijn, omdat zij door het goede den dood werkt. Door het kwade den dood te werken, is erg; maar dit door het goede te doen, is nog veel erger. — Uit (pxvijj zien wij, dat de juiste lezing in het voorafgaande is êyivero; op ybym zou eerder <p*lvV volgen. Het tweede "vx is parallel met het eerste; dezelfde gedachte wordt herhaald maar met meer kracht (Meyer, Weiss, Philippi, Oltramare). Godet laat het van 3/« tgD i-yxM xxTeprxfynm afhangen, omdat volgens hem rimrxt niet goed op (pxvi volgen kan (de volgorde moest juist omgekeerd zijn). Dit bezwaar is echter denkbeeldig ; de vorige constructie is eenvoudiger. De zonde moet wel **i' iiireppokw xnxpTuhós zijn (exceeding sinful, Rev. Vers.), omdat zij door het goede den dood werkt. — Zou i x.xxprlx hot rtjs hroMjs niet oorspronkelijk een kantteekening kunnen zijn, die later in den tekst is ingeslopen? — God wil de zonde ontmaskeren om haar zoodoende te overwinnen. Alzoo heeft de wet, niettegenstaande de zonde, toch een heilzame uitwerking.

ys 7 13. De uitleggers, die de menschheid in het

algemeen tot het onderwerp van deze pericoop maken, denken bij „ik leefde" (vs. 9) aan den paradijs-toestand; bij „toen het 'gebod kwam" aan het verbod, te eten van den boom der kennis des goeds en des kwaads; bij vs. 11 aan de verleiding door de slang; bij „de zonde leefde op" aan de ongehoorzaamheid van Adam; bij „ik ben gestorven" aan het oordeel des doods; bij het vervolg tot vs. 24 aan de gevolgen van den val. Maar was de zonde in het paradijs „dood"