is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(vs. 8)? Zij was er immers niet (H. 5 : 12). Het komeu van de zonde in de wereld kan toch niet „opleven" heeten. Bovendien doet vs. 7 aan het tiende gebod denken en niet aan het paradijsgebod.

Zij, die dit stuk op het joodsche volk toepassen, zien in „ik leefde" de beschrijving van den tijd der aartsvaders; de komst van het gebod is het mozaïsche tijdperk. Maar kan men van den aartsvaderlijken tijd zeggen, dat de zonde dood was en dat het volk leefde ? De uitdrukking „de begeerlijkheid" doet ook niet aan een volk denken. En op welke bezwaren stuit men, als men deze verklaring tot het einde van het stuk wil volhouden! Men moet dan met Reiche in vs. '14—25 nu eens den ideëelen, dan weder den werkelijken Jood sprekende invoeren.

De apostel heeft het over zijn eigen ervaring, natuurlijk niet om zichzelven op den voorgrond te plaatsen, maar in de veronderstelling, dat dit de ervaring is van iederen Jood, die door de wet zoekt heilig te worden.

In het volgende stuk ziet men meestal de verklaring van het vorige. De macht van de zonde in het vleesch is de oorzaak van de jammerlijke uitwerking der wet (Weiss). Maar dit zou met weinige woorden kunnen gezegd zijn, temeer omdat het eigenlijk al gezegd was (vs. 11, 13). Wij hebben hier, ook om de uitvoerigheid der pericoop, met een beschrijving te doen; een beschrijving van den toestand des doods, waarin de vreeselijke ervaring van vs. 7—13 Paulus gebracht heeft en waaruit vanzelf de verzuchting aan het slot (vs. 24) geboren wordt.

Vs. 14—25.

Hier vooral komt het verschil uit tusschen de geleerden, die aan den toestand van een wedergeboren mensch, en de anderen, die aan de machtelooze worstelingen van een eerlijk Israëliet onder het juk der wet denken.

De voornaamste gronden ten gunste van de eerste meening