is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(zie vooral Hodge) zijn le de overgang van den verleden tijd der werkwoorden in vs. 7—13 tot den tegenwoordigen tijd in vs. 14—25; 2® de onmogelijkheid, aan een nietwedergeboren mensch zulk een verheven besef toe te kennen, als waarvan hier sprake is (vs. 16, 22; vs. 15, 19); 3° vs. 25, waar de apostel den beschreven toestand als zijn tegenwoordigen toestand schijnt te erkennen.

Paulus heeft gesproken over zijne ervaringen in den tijd, toen hij nog geen Christen was. Kan hij nu, zonder van zijn bekeering gewag te maken, na een eenvoudig yip, van zijn ondervinding als wedergeborene spreken? Hodge en Philippi verklaren dezen overgang door een a fortiori. Do wet is zóó onmachtig, den natuurlijken mensch te heiligen, dat zij niet eens den geloovige helpen kan. Maar dan zou hetgene, waarop het aankomt, juist verzwegen zijn! — Vs. 24 is ook alleen toepasselijk op iemand, die de verlossing in Christus nog niet kent. Hier kan toch geen sprake zijn van den geloovige, die zucht om den dood van zijn lichaam; dit zou niet overeenstemmen met H. 8. Philippi ziet in de tegenstelling tusschen H. 7 en H. 8 niet die van den Jood onder de wet en den vrijgemaakten Christen, maar de tegenstelling van de twee zijden van het christelijke leven: de geloovige, van den Geest verlaten, en de geloovige, van den Geest vervuld. Maar dan had in elk geval de groote verlossing niet aan het einde (vs. 24, 25), maar aan het begin (vs. 13, 14) moeten staan, want het verschil tusschen de afwisselende toestanden van den Christen is toch niet zoo groot als het verschil tusschen een Christen en een nietChristen. De gedachtengang is deze: Door het geloof in Christus is de geloovige vrij van de zonde (H. 6:1—14), onderworpen aan de gerechtigheid (vs. 15—23), vrij van de wet (H. 7:1—6). Onder de wet was ook geen heiliging mogelijk, want de toestand waarin zij den mensch bracht (H. 7:7—13), en hem, niettegenstaande zijne oprechte en volhardende pogingen, liet (vs. 14—23), kon slechts eindigen met den kreet vs. 24.

Het stuk bestaat uit drie deelen, die ieder met een soort