is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze stelling wordt door de ervaring bewezen in vs. 18b( 19, die met vs. 15 correspondeeren. Eindelijk komt in vs. 20, evenals in vs. 16, 17, de herhaling der stelling in den vorm eener conclusie.

Vs. 18a: „Want ik weet, dat in mij, dat is in mijn vleesch, geen goed ') woont."

Dit vers sluit zich, blijkens de gekozen uitdrukkingen, nauw aan het vorige aan. „Want" is eerder expliceerend, dan demonstreerend: dezelfde ervaring wordt eenigszins nauwkeuriger voorgesteld. — Toen Paulus in vs. 14 zeide: „Ik ben vleeschelijk", kon men daaruit opmaken, dat er in hem niets anders was dan zonde. „Ik weet" (vs. 14) wees evenwel reeds op iets anders. Hier maakt hij onderscheid tusschen zijn eigen ik , voorzoover het door het vleesch en voorzoover het niet door het vleesch beheerscht wordt. „Dat is" wil zooveel zeggen als: „ten minste". Ziju „ik" is nog iets anders dan zijn „vleesch". Er is iets in hem, dat hem de wet als geestelijk doet kennen en eeren en dat het goede wil. Helaas, dat „willen" beteekent zoo weiuig tegenover de heerschappij van de zonde in hem. — Het bewijs voor vs. 18® ligt in het volgende:

Vs. 18b; 19: „Het willen toch ligt welbij mij maar het goede te doen niet2); want wat ik wil, het goede, doe ik niet; maar hetgeen ik niet wil, het kwade, dat doe ik."

Het willen (zie vs. 15, 16) is aanwezig, maar dit willen

1) Hier Btaat iyctUv, in vs. 18b xct\óv. Van Hengel verstaat onder het eerste: quidquid intrinsecus bonutn est, onder het tweede: id, quod candore morali nitet. Volgens Weiss wordt het zedelijk goede door het 0ÉAs/v van den mensch als xothóv erkend.

2) N A B O leten ou in plaats van ov% svpttrxu (text. ree., al de andere m«j., Syr., Vuig.).