is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meen: regel. Het is dezelfde wet als in vs. 23, de tegenovergestelde van vs. 22. T« ttlovri hangt van rh vóptov af: voor mij, die enz. "Oti zegt, waarin de wet bestaat. Als hij het goede wil doen, is het kwade het eerst aanwezig (dezelfde uitdrukking vs. 18). De herhaling van spot accentueert de identie van hem, die het eene wil, en van hem, die het andere doet.

Vele uitleggers nemen „wet" in den zin van „mozaïsche wet". 1. Knapp en Olshausen maken to xxhóv tot app. van tov vópov, oti tot obj. van «ip/rx»: Ik, die de wet, d. i. het goede, wil doen, ik vind enz. De constructie is dan toch wel zeer vreemd! 2. Chrysostomus en de Peschito vertalen ovti als dat. comm., en oti door „omdat". Ik vind de wet mij te hulp komende, mij, die het goede wil doen, en dat omdat enz. De wet, Paulus te hulp komende in zijn strijd tegen het kwade! Dit hoofdstuk leert juist het omgekeerde. 3. Ewald vindt de app. van tov vipov in to kxzóv: Ik vind, dat de wet, d. i. het kwade, mij bijligt enz. Noch de constructie, noch de gedachte is aannemelijk. 4. Meyer voegt tov vóf&ov als obj. bij déKovti en neemt ttoisïv als inf. van het doel: Ik vind, dat mij, die de wet wil met het doel om het goede te doen, enz. Maar tov vó,uov moest dan tusschen tü en Ukovti staan; de uitdrukking „de wet willen" is vreemd; terwijl 7roisïv blijkbaar van niets anders dan van QsKovti afhangt. 5. Volgens Hofmann heeft ttohTv geen obj.; het beteekent zooveel als handelen; to xxkov is bepaling van tov vópov, en oti omdat: Ik vind, dat de wet het goede voor mij is, die wil handelen, omdat enz. Volkmar meent, dat kxkóv (scil. iivxi) na to kxKóv weggevallen is. F G laten oti ifto) to kxxov 7rxpxxeiTxi weg; evenzoo Michelsen en Baljon (t. a. p. bl. 15—17). De redeneering van den laatste is niet overtuigend. Men zal b.v., wanneer vs. 23 in rekening wordt gebracht, wel niet kunnen volhouden, dat vs. 21b in lijnrechte tegenspraak met vs. 22 is. — Vs. 22 bewijst de eene, vs. 23 de andere helft van vs. 21.

Vs. 22, 23: „Want ik heb een behagen in de wet

Godst/Johkeb, Romeinen. 26