Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gods naar den inwendigen mensch; 23 maar ik zie een andere wet in mijne leden, die tegen de wet van mjjn gemoed strijdt en mij gevangen neemt in ') de wet der zonde, die in mijne leden is."

Het werkw. ruvföoftxi beteekent eigenlijk: ik verheug mij met. Van Hengel meent: met anderen, die zich ook in de wet verheugen (cum aliis lege delector). Dit past niet in het verband. Meyer: met de wet, die zich ook verheugt in het goede, dat zij gebiedt. Deze verklaring is niet zoo verwerpelijk, als Godet wil. Want de wet kan persoonlijk voorgesteld worden; zie ook wQm' van vs. 16. Anders moet rfr de innigheid van het gevoelen uitdrukken: met, in mijzelven. I.uv*iio(ixi is sterker dan <rtivcp>fui. 8) De bepaling TOÜ Oioü bij TM viptfi toont, dat er van een andere véuos gesproken wordt dan in vs. 21. „De inwendige mensch" moet niet veiward worden met „den nieuwen mensch"; de tweede is het werk van den Heiligen Geest, de eerste is het orgaan, dat ons in staat stelt, den Heiligen Geest te ontvangen. Paulus noemt het in vs 23, 25 wüt, het redelijk-zedelijke, het zedelijk bewustzijn, het zedelijk gevoel in den mensch. Deze inwendige mensch oefent echter niet de heerschappij uit in den mensch. Dat doet een andere macht (vs. 23). — Vs. 22 kan wel door een onbekeerde worden gezegd, vooral wanneer deze staat onder den invloed van de wet Gods en de trekkingen des Vaders (Joh. 6:44, 45).

In vs. 23 is sprake van een psychologische zelfbeschouwing (/3*i*«). Een wet van een andere soort (érepos) treedt op. Zij is in de leden van het aan de zonde onderworpen lichaam; zij strijdt met de wet tov vois om den mensch; zij overwint, maakt zich van den mensch meester (in de wet der zonde) en voert hem gevankelijk weg. De toevoeging aan het slot

1) tfBDEFGKPIt. hebben ev y66r ru vo)iu; text. ree. A C L Syr. laten liet weg.

2) Vgl. Gottschick (Zeitsehrift für Theologie und Kirche, 1899, 336).

Sluiten