is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lichaam der zonde (H. 6:6), dat den dood vrucht draagt (H. 7:5) en plaats moet maken voor een lichaam, der gerechtigheid onderworpen (H. 6:12, 13; 7:6). Het spreekt vanzelf, dat wij, wanneer hier een wedergeborene aan het woord is, een andere verklaring moeten zoeken. — Toutou behoort natuurlijk bij óxvxtou en niet bij su^xtoi;. De constructie en liet verband eischen dit (vgl. vs. 10, 11, 13). — De verloste Christen kan dezen wanhoopskreet niet slaken.

Ys. 25. De lezing %«/)/? óeü verklaart het best het ontstaan der varianten. 'H x*p't t°ü &e°v is a^s direct antwoord op de vraag geboren. EixxpifTcó kan met het oog op het doorgaaud gebruik van den eersten persoon in dit stuk zijn ontstaan. Godet geeft de voorkeur aan de derde lezing, omdat hij hier, na den hartstochtelijken kreet, een woord van rustigen vrede praefereert boven een triomfantelijken uitroep. — „Door Jezus Christus" beteekent niet, dat Jezus Christus onzen dank tot God overbrengt (Hofmann), maar dat Jezus Christus als de Verlosser ons het danken mogelijk heeft gemaakt (vgl. 1 Kor. 15 ; 57). Over die verlossing handelt Paulus in het volgende stuk.

Eerst wor.lt het vorige stuk afgesloten. Venema, Wassenbergh, Lachmann plaatsen vs. 25b vóór vs. 24; Weisse, Michelsen, Baljon schrappen het. De draad wordt met ip« weer opgenomen; ovv dient de conclusie aan. „Dus" slaat niet op vs. 25, maar op het geheele stuk, dat gerecapituleerd wordt. Ook in H. 5: 21 en 6: 23 kwam aan het einde van een uiteenzetting een tegenstelling voor, die het besprokene kort terug gaf. — Tegenover ftèv, dat in een paar codices bij vergissing kan weggelaten zijn, staat S«; het moet uitdrukken, dat het eene slechts in het voorbijgaan wordt vermeld en de nadruk vooral op het andere valt. — Beza, Erasmus, Rückert, Holsten hebben «üra? syu genomen in den zin van iyw o xütós, ego idem, ik dezelfde. Het zou dan zooveel zijn als: ik, een en dezelfde mensch, word als het ware in tweeën gedeeld. Echter laat het spraakgebruik van het N. T. een gelijkstelling van xvtós en o xMf niet toe. Grotius, Tholuck, Philippi e. a. verklaren: „ik, die mensch