Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mensch) verafschuw; b.v. ik vervolgde de Christenen. „Ik heb een vermaak in de wet Gods" is: Ik erken, dat ik toen sympathie had voor de wet Gods, enz. Hoe willekeurig, in eenzelfden zin het eene praesens op den eenen, het andere op een geheel anderen tijd te laten slaan! Hoe onvoorzichtig, uit den Talmud te concludeeren tot hetgeen Paulus al of niet zal gevoeld hebben! Of leeren ons soms de geschriften der middeleeuwsche monniken hetgeen een Luther heeft doorleefd?

Westphal denkt niet aan een geestelijken strijd, maar aan de onmacht van Saulus, den Farizeër, om de wet te begrijpen. Saulus wil de gerechtigheid, maar doordat hij de wet niet verstaat komt hij terecht bij de eigengerechtigheid, die juist het omgekeerde van de ware gerechtigheid is. Hij vervolgt in de Christenen de ware gerechtigheid, die hij najaagt. Zoo doet hij niet wat hij wil, en wèl, wat hij niet wil. Het is alles alleen een gevolg van de omstandigheid, dat tengevolge van zijn vleeschelijken zin de wezenlijke bedoeling der wet voor hem verborgen is. — Maar als de wet onbegrijpelijk is voor het onwedergeboren hart, hoe kan zij dan een tuchtmeester tot Christus zijn (Gal. 3:23, 24)? Het is ook moeielijk aan te nemen, dat de apostel zoo over zijne ervaringen in het verleden zou geschreven hebben, wanneer hij er niets van had begrepen en het dus eigenlijk ook niet zijne ervaringen geweest waren. — Wij kunnen ons resultaat niet beter formuleeren dan met deze woorden van Bonnet: „De apostel spreekt hier niet over den natuurlijken mensch in zijn toestand van onwetendheid en vrijwillige zonde, noch van het wedergeboren kind van God, dat door de genade verlost en met den Geest van Christus bezield is, maar over den mensch, wiens geweten, door de wet ontwaakt, met ernst, met vreeze en beven, maar nog in eigen kracht, den strijd tegen de zonde begonnen is". Ygl. ook Prot. Bijdr., V, 48—50.

Sluiten