is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het bewijs van vs. 6» ligt in vs. 7, 8; dat van vs. 6b in vs. 9—11.

Vs. 7, 8: „aangezien het bedenken des vleesches vijandschap tegen God is, want het onderwerpt zich aan de wet Gods niet, want het kan dit ook niet; 8 en zij, die in het vleesch zijn, kunnen Gode niet behagen."

Het bedenken des vleesches is de dood, omdat (SiJrt) het vijandschap is tegen God. Aan den eenen kant bestaat die vijandschap in een daad van den mensch tegenover God: het vleesch verzet zich tegen den wil Gods, ja, het kan niet anders dan zich daartegen verzetten; aan den anderen kant (Sé in vs. 8 is metabatisch) in een daad van God tegenover den mensch. God kan evenmin een vriend van het vleesch zijn, als het vleesch een vriend van Hem. In plaats van het abstracte „het vleesch" komen hier „zij, die in het vleesch zijn". Wij naderen de toepassing (vs. 9). „In het vleesch zijn" is nog sterker dan „naar het vleesch zijn" (vs. 5). In het laatste geval heet het vleesch de norm, in het eerste het beginsel van het zedelijk zijn. — Zij, die in het vleesch zijn, zijn in den dood, en komen hoe langer hoe meer in den dood. Bij de geestelijke menschen vinden wij daarentegen een voortgang ten leven, totdat zelfs het laatste spoor der veroordeeling, de physische dood, zal zijn tenietgedaan. Dit is de wet van den Geest des levens (vs. 2), die in vs. 9—11 wordt ontwikkeld.

Vs. 9: „Doch gij zijt niet in het vleesch, maar in den Geest, zoo namelijk de Geest Gods in u woont; maar indien iemand den Geest van Christus niet heeft, die is de Zijne niet."

De apostel spreekt over ra (ppóvwtx zoü mev,u»To; niet meer abstract zooals over to (ppóvw» rij,- trxpxis, maar richt zich Godet/Johkeb , Romeinen. 27