Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Christus zijn geestelijk leven doordrongen heeft. Het lichaam is dood, d. w. z. aan den dood — in den eigenlijken zin — onderworpen (vgl. tx ivvitx aunxtx van vs. 11), om der zonde wil (zie H. 5: 12, 15, 17). Oltramare acht het onmogelijk hier aan den dood in den eigenlijken zin te denken, omdat het lichaam altijd aan den dood onderworpen is, hetzij Christus in ons is, hetzij niet. Intusschen ziet hij itiv over het hoofd. „Dood" — hetwelk hier gebruikt is met het oog op het onvermijdelijke eindresultaat, wanneer het beginsel des doods een heel leven doorwerkt, — zou volgens hem aanduiden: het gemis aan kracht om voortaan vleeschelijke daden te doen. „Om de zonde": om de zonden, die het lichaam door de zinnelijke begeerte bedrijft. Deze verklaring wederlegt zichzelf. Chrysostomus, Erasmus, Urotius, Hoisten denken aan „dood" in den zin van H. 6:2. Men zie echter 3ix xitxprixv en het volgende vers. — Terwijl het lichaam van den geloovige nog aan den dood onderworpen is, is het anders gesteld met zijn geest, ftveünx moet, om de tegenstelling met <rü/*x, niet de Heilige Geest (zóó Hofmann), maar het geestelijk leven van den geloovige zijn. Godet denkt bij Stx hnxio<ruv>iv aan de rechtvaardiging, waarover Paulus in H. 1—5 handelde. Veel meer voor de hand ligt, met Erasmus, Tholuck, Beek, Weiss e. a. aan de zedelijke gerechtigheid, de vervulling der wet, te denken. De gerechtigheid is het leven van den geest. Uit hoofde van de gerechtigheid is de geest leven, is zijn wezen leven. — Maar zal het lichaam, thans nog aan den dood onderworpen, altijd aan die macht onderworpen blijven? Neen, ook dit laatste spoor der veroordeeling zal verdwijnen.

Ys. 11: „En indien de Geest van Hem, Die Jezus *) uit de dooden heeft opgewekt, in u woont, zoo zal Hij, Die Christus 2) uit de dooden heeft op-

1) N A B hebben rov vóór lyo-ovv.

2) Text. ree. met KLP: tom Xptrrov; BEFG-: Xptrrov, N AD: Xptrrov Iy<rovv (CSyr.schj l\j<rovv Xptvrov).

21*

Sluiten