Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geest om naar den Geest te leven" niet vergeten. Het komt ons voor, dat hier de Geest van God bedoeld is. Dat hij in vs. 14 opzettelijk „Geest van God" genoemd wordt, hangt samen met de uitdrukking „zonen Gods." Naarmate het vleesch gedood wordt, breidt de heerschappij van den Geest, d. i. van het leven, zich uit. Gij zult leven, want gij zijt zónen Gods (vs. 14-16) en mitsdien Zijne erfgenamen (vs. 17).

Vs. 14. Gij zult leven, want, als gij door den Geest Gods geleid wordt, zijt Gij zonen Gods; zoon van God te zijn, is de voorwaarde des levens. Paulus wil niet zeggen, dat de leiding des Geestes hen tot zonen Gods maakt, maar dat dit het zoonschap veronderstelt (vgl. vMs-

<tI*s, ioukstxe, vs. 15, en vooral Gal. 4:6). — Zoovelen —,

die zijn d. w. z. zij allen, maar zij ook alleen. Een

zoon Gods heeft deel aan het leven Gods, hetwelk het leven is. De echte lezing is eene van die, waarbij vlot met nadruk voorop staat. Misschien moet men de voorkeur geven aan: „zonen van God zijn zij" boven „zonen zijn zij van God"; dit laatste sluit de tegenstelling in „geen slaven", welke tegenstelling in vs. 15 wèl, maar hier niet past. „Zoon van God", in deze uitdrukking ligt zóóveel opgesloten, dat de apostel tot een nadere bewijsvoering verplicht is. Het eerste bewijs van het zoonschap nu ligt in het karakter van den Geest, dien de geloovigen ontvangen hebben (vs. 15); het tweede in zijn getuigenis (vs. 16).

Vs. 15: „Want gij hebt niet ontvangen een geest van dienstbaarheid, wederom tot vrees, maar gij hebt ontvangen den geest van het zoonschap, door welken wij roepen: Abba, Vader!

Men verbinde niet met è^xfiers, alsof de lezers

vroeger wel een geest van dienstbaarheid van God hadden ontvangen, maar met iU <pó(2cv: deze Geest is niet een, die weder tot den ouden toestand van vrees terugbrengt. De vrees is een hoofdbestanddeel zoowel van den heidenachen

Sluiten