is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zekerheid; Reiche: door hare nabijheid; Philippi: door haar volstrekt toekomstig karakter. Maar dan raakt men verlegen met yip van vs. 20. Ook kan geen van deze verklaringen tot bewijs strekken van het zuchten der schepping vs. 20 (want). Een verlangen kan toch niet het onderpand zijn van zijn eigen vervulling, vooral niet bij een schepsel, dat cler ijdelheid onderworpen is. Dit algemeene zuchten, waaraan ook de geloovigen zeiven niet vreemd zijn, constateert drieërlei: vooreerst, dat het heil, misschien wel geestelijk, maar nog niet uitwendig bestaat; ten andere, dat wij met den geest aan de toekomende, maar met het lichaam nog aan de tegenwoordige wereld toebehooren; eindelijk , dat er een disharmonie is, die voor een volkomen harmonie moet plaats maken. „Want" (vs. 19) slaat dus niet op oux ook niet op ftéMouirav, maar op to irxiiï-

hen* toü vvv xxipoü (ja, dit lijden is er, want alles zucht). Holsten schijnt het lijden alleen een raadsel te achten voor Joden-Christenen, maar is het inderdaad niet een raadsel voor ieder Christen P — 'Avoxxpxloxïx (het reikhalzend verlangen) is samengesteld uit xxpx (hoofd), Iokiu , Sdkxw , 3oxeuu (op de loer liggen, opwachten) en iici (van, van verre). Welk een plastische voorstelling! Een kunstenaar zou naar aanleiding van dit ééne grieksche woord een statue van de hoop kunnen oprichten. ' Airtv&k%tTxi bestaat uit Si'xoitxi, &ir& en h (iets aannemen uit de handen van iemand, die het u van verre toesteekt). — De schepping is het geschapene in het algemeen. Echter ligt in het verband een beperking. Uitgesloten zijn le de geloovigen, die in vs. 23 afzonderlijk worden genoemd; 2e de ongeloovigen, die krachtens eigen schuld der ijdelheid onderworpen zijn, niet naar de verlossing van de kinderen Gods verlangen, noch in de verlossing van vs. 21 zullen deelen; 3e de engelen, die niet aan het bederf onderworpen zijn. Bedoeld wordt, wat wij gewoonlijk „de natuur" noemen, in tegenstelling met de menschenwereld. Zie Boek der Wijsheid H. 16:24 en 19: 6. Hiermede wordt afgesneden de verklaring van Origenes, Oltramare: de menschen in het algemeen; die van Augustinus, Schleiermacher: