Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te zamen zucht en te zamen als in barensnood is tot nu toe."

De ijdelheid is de vervallen toestand, waarin alles verkeert. De beelden van sterven en vergaan omringen ons overal. De onvruchtbaarheid, het woeden der elementen, het wilde instinct der dieren, zelfs de wetten die het plantenrijk beheerschen, alles predikt dood en vergankelijkheid. Deze heerschappij des doods kan onmogelijk de normale toestand van een door God geschapen wereld zijn. Evenmin kan de willooze schepping zichzelf in dien toestand gebracht hebben. Zij verkeert in een toestand van ijdelheid om hem, die haar daaraan onderworpen heeft. De vraag, wie hiermede bedoeld

• «tAwnnViill tlTAAl1/! VoTI A/T Q^Tl P Tl (t. a.. n. bl. 132")

YVUIUL, 13 VClOVyliiuuuu V" * X '

denkt aan een god van lagere orde, niet ongelijk aan den S>jiuioupyS? der Gnostieken. Velen antwoorden: God, die het oordeel heeft uitgesproken (Gen. 3:17). Maar waarom dan 3uë c. acc.? Omdat „niet vrijwillig" beteekent „niet door eigen schuld", verwacht men ook de aanwijzing van den schuldige. Dit doet Chrysostomus, Schneckenburger, Tholuck, Beyschlag, Clemen !) zeggen: o viroT&S-xs is de eerste mensch (vgl. H. 5 :12 en Gen. 3 : 17). Maar dit had eenvoudiger kunnen worden uitgedrukt. Heeft ook de mensch bij de onderwerping van de natuur aan de ijdelheid niet een meer passieve rol gespeeld ? De eenigszins geheimzinnige uitdrukking doet ons met Hammond denken aan den Satan, die, door den mensch tot zonde te brengen, de schepping in de ellende heeft medegesleept. — De bepaling „met hoop" behoort niet bij rov jim&frvTX (hetgeen alleen mogelijk is, wanneer dit op God slaat), maar bij rjj uttsrxyv\. Van den

beginne werd aan de straf de hoop op verlossing verbonden. De schepping hoopt, evenals zij in v. 19 verwacht. Zij heeft bij het gevoel van haar onverdiend lijden als het ware een voorgevoel van haar toekomstige restauratie. ^

Vs. 21. "Oti kan ontstaan zijn, doordat men S/ (van Sióti)

1) Zie rijn beoordeeling van Sahday and Headlam's commentaar, Theol Lit.-Zeit. 1896.

Sluiten