is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

na 2/ (van &jt/3<) wegliet. Is Stón de echte lezing, dan wordt «órij i? KTitii duidelijker; anders zou xutvi alleen voldoende zijn (op hoop, dat zij zelf). Ook de schepping zelf, en niet alleen de kinderen Gods. De dienstbaarheid des verderfs kan beteekenen de dienstbaarheid, die bestaat in het verderf; dan staat daartegenover de vrijheid, die bestaat in de heerlijkheid. Wil men liever: de dienstbaarheid aan het verderf, dan staat tegenover het verderf als heerscher de heerlijkheid als heerscheres, die de vrijheid geeft. De schepping, van dit verderf bevrijd, zal al hare krachten ongestoord ontwikkelen, en in vroolijk opbloeien het tooneel van de heerlijkheid der kinderen Gods zijn.

Vs. 22 bevestigt de verwachting van vs. 21. Met „wij weten" doet Paulus niet, gelijk Ewald onderstelt, een beroep op een oud verloren boek, maar op een boek, dat voortdurend open ligt, de natuur zelf. Uit de schepping stijgen lijdenskreten, smartelijke zuchten op. De dichters hoorden en vertolkten ze. Zelfs op den scboonsten lentedag, wanneer de natuur al hare bekoorlijkheden ten toon spreidt, proeft het bewonderend hart het venijn eener brandende melancholie (Schelling). — De praep. <róv in de beide werkwoorden duidt de samenwerking van alle schepselen aan. De schepping zucht niet slechts; zij is ook in barensnood; zij zal een nieuwe schepping voortbrengen, die als het ware in haren schoot aanwezig is. — „Tot nu toe" staat niet gelijk met „altijd" of „onafgebroken"; Paulus wil zeggen, dat het nog geschiedt, hoewel de verlossing in de geestelijke sfeer reeds is volbracht (vgl. 'éug xpri, 1 Kor. 4: 13). In dit opzicht is het gesteld met het geheel als met ieder individu afzonderlijk (vgl. vs. 10). — De natuur in hare weemoedige schoonheid gelijkt op een bruid, die zich op haren trouwdag schitterend tooide en toen plotseling haren bruidegom moest zien sterven. Nog staat zij daar, met een krans van bloemen op het hoofd en het bruidskleed om de leden, maar hare oogen zijn vol tranen (Schelling). — De schepping lijdt echter niet alleen, de geloovigen lijden met haar mede (vs. 23—25).

Oodet/Joveib, Romeinen.

28