is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liefde van sommigen een aspiratie naar Hem hebben gezien en hen daarom geroepen hebben. Maar God liefhebben is nog iets anders dan aspiratie naar Hem hebben. Hoe zou men dan npi in irpatyw en Tpoiipivev van vs. 29 verklaren? Hoe kan de raad Gods afhankelijk zijn van zulke gegevens? Men zie de boven aangehaalde plaatsen, waarbij men nog vergelijke H. 16 : 25; 1 Kor. 2:7; Ef. 1: 4; 3 9. Het voornemen Gods is volgens Paulus van eeuwigheid.

Wat „geroepenen" betreft, is men het er over eens, dat wij aan de roeping door middel van de prediking des evangelies hebben te denken. Oltramare e. a. zien hier echter alleen de uitwendige roeping, afgezien hiervan of men die al of niet opvolgt; Weiss e. a. verbinden aan een uitwendige roeping de inwendige, zoodat het opvolgen van de roeping verzekerd is, en roeping en uitverkiezing voor onafscheidelijke begrippen moeten worden gehouden. Godet verwerpt de eerste opvatting, en terecht, omdat het niet denkbaar is, dat de Geest van God op het beslissende oogenblik niet op het hart van den mensch zou inwerken; maar dezelfde geleerde dwaalt, wanneer hij ook de tweede opvatting afwijst, en zelfs een onderscheid aanneemt tusschen „geroepenen, die naar het voornemen Gods geroepen zijn," en „geroepenen, die niet naar het voornemen Gods geroepen zijn." Bij Paulus sluit het „geroepen zijn" het opvolgen der roeping in. De x^roi zijn als zoodanig ook hxexTci (vgl. Cremer in voce). Hierdoor wordt natuurlijk het geloof niet buiten de bedeeling des heils gesloten, maar het werk Gods op den voorgrond gesteld.

Ys. 29: „Want die Hij te voren heeft gekend, heeft Hij ook te voren verordend om aan het beeld van

Bavicck (Gereformeerde Dogmatiek II, 316, 317) is van oordeel, dat de eeuwigheid van het voornemen Gods niet vanzelf reeds in de praepositie irpo ligt opgesloten, maar toch duidelijk uitgesproken wordt in Ef. 3:11; 2 Tim. 1:9; cf. Mt 25:34; 1 Kor. 2:7; Ef. 1:4; terwijl Bom. 9 zeer zeker van een handelen Gods in den tijd spreekt, maar de oorzaak van dat han. delen buiten den tijd valt, en alleen in Gods wil en welbehagen ligt,