Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zijnen Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij de eerstgeborene zg onder vele broederen."

Alle dingen werken den geroepenen mede ten goede, want enz. Volgens Weiss heeft God hen te voren gekend als dezulken, die Hem zullen liefhebben (vs. 28). Volgens Godet als dezulken, die gelooven zullen (quos praevidit credituros esse). Ons komt voor, dat irpoyivüvxsiv moet verklaard worden met het oog op het yivuaxeiv van Hos. 13:5; Am. 3:2; 1 Kor. 8:3; Gal. 4:9; 2 Tim. 2:19. Het irptiymsKeiv is de grond van dit yivuweiv. *) Door iemand te kennen, komt God met hem in gemeenschap; door iemand van te voren te kennen, besluit God met hem in gemeenschap te komen (zie Cremer in voce). Dan behoeft natuurlijk niet meer gezegd te worden, als hoedanig God iemand kent, hetgeen hier ook niet gezegd wordt. Wil men deze verklaring van Trpoyivutrneiv niet, en dus toch zeggen, als hoedanig God den mensch kent, dan ga men liever in plaats van met Weiss of Godet met Lipsius mede, die meent, dat God den mensch kende als voorwerp van Zijn liefde. Elke poging toch, die hier in de opsomming der objectieve verlossingsdaden Gods het subjectieve element inschuift, moet afgewezen worden. Of, om met de Synode van Dordrecht te spreken: de gulden keten van onze zaligheid mas* niet verbroken worden. 2)

Van ttpokyvai is 7rpo£pt<rsv onderscheiden (zie kxi). Deze voorverordineering (praedestinatie) bedoelt de heerlijkheid van de te voren gekenden. Het verband tusschen vs. 28 en 29 springt in het oog. — De heerlijkheid der geloovigen bestaat hierin, dat zij gelijkvormig zijn aan Christus. Het adj. trufi/iipCpo'j? staat bij Trpoüpitrcv zonder „om te zijn of „om te worden"; zie Pil. 3:21 (echte lezing). De apostel zegt niet

1) Bavinck (Gereformeerde Dogmatiek, II, bl. 316): rrpoyvu<ri( let op de persouen, die in dit verkiezend voornemen. Gods het object zijn niet van zijn nttda praeseientia, maar van zijne dilectio practica.

2) Vgl. Kaftan, Theologische Literaturzeitung 1889, 378.

Sluiten