is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„gelijkvormig aan Zijn Zoon", maar „gelijkvormig aan het beeld van Zijn Zoon". 1) Er is in Christus een bestaanstype (s'ikuv), waarnaar ons eigen bestaan moet gevormd worden (zie „medeërfgenamen van Christus", vs. 17). God ziet van eeuwigheid het beeld van Zijn Zoon, die, na de menschelijke natuur te hebben aangenomen, als de God die mensch is en de mensch die God is den troon bestijgt (Gess). Aan dit beeld wil Hij de menschen gelijkmaken. In ttpmtotokos ligt allereerst het begrip van tijd: Christus is de eerstet niet slechts door zijn eeuwig bestaan, maar ook door zijn opstanding en hemelvaart (Kol. 1 : 15, 18); en voorts ook dat van superioriteit: Hij is het prototype, het oorspronkelijke. Hoe God dit heerlijk doel bereikt, leert ons vs. 30.

Vs. 30: „En die Hij te voren verordend heeft, die heeft Hij ook geroepen, en die Hij geroepen heeft, die heeft Hij ook gerechtvaardigd, en die Hij gerechtvaardigd heeft, die heeft Hij ook verheerlijkt.'")

Nu volgen de verlossingsdaden, die in den tijd geschieden, m. a. w. nu wordt gezegd wat God doet om Zijn raad te vervullen. Het eene leidt tot het andere. Paulus spreekt van de daden Gods; daarom zwijgt hij over het geloof en misschien ook over de heiligmaking. — De roeping is hier klaarblijkelijk weder de vocatio efficax. Taürsuc, juist hen, en geen anderen. De rechtvaardiging wordt met nai nauw aan de roeping verbonden. De verheerlijking wordt niet door y.xl maar door Ss' voorafgegaan, misschien omdat wij nu aan het slot zijn. — Weiss sluit de heiliging bij de rechtvaardiging in, maar dan kan men ze nog beter bij de verheerlijking voegen, omdat de heiligheid de keerzijde der heerlijk-

1) Weizsacker: zur Eingestaltung in aeines Sohnes Bild.

2) Augusti*u3: „Hij heeft ons te voren gekend, voordat wij waren; Hij heeft ons geroepen, toen wij van Hem afgewend waren; Hij heeft ons gerechtvaardigd, toen wij zondaren waren; Hij heeft ons verheerlijkt, toen wij sterfelijk waren." (Die Predigt der Kirche, V, 60).