Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid is. Hierboven hebben wij een andere reden opgegeven, waarom Paulus van de heiliging zwijgt. — Dat de andere werkw. in den verleden tijd staan, levert geen bezwaar op, maar hoe hebben wij over iSófrrev te denken? Tholuck, Meyer, Weiss, Philippi meenen, dat Paulus de absolute zekerheid van dit toekomstige feit wil aanduiden. Reiche laat den verleden tijd slaan op de eeuwige vervulling van den raad Gods en de gedachten Gods. Chrysostomus, Hofmann e. a. zien de verheerlijking in het zoonschap en de gaven van den Heiligen Geest. Hodge vindt de verklaring van het verschijnsel hierin, dat God in het begin der dingen ook het einde der dingen ziet. Maar kan men van de geloovigen niet zeggen, dat zij in hun Heer verheerlijkt zijn (Ef. 2:6)? Wat van het hoofd geldt, geldt nu ook van het geheele lichaam. Beiden zijn gekroond.

Paulus heeft het doel bereikt, hetwelk hij met de laatste woorden van vs. 17 reeds had aangewezen. Het slot van vs. 18—30 besluit tegelijk de uiteenzetting van het werk des heils (H. 1:18—5:28, gevolgd door H. 6:1—8:17 en H. 8:18—30). Wat blijft er nog over, dan een lied der overwinning ?

TWINTIGSTE STUK.

H. 8 :31—39.

Het lied van de zekerheid des heils.

Dit stuk is de slotsom (ouv, vs. 31), die uit het vorige (vs. 28—30) wordt afgeleid. Het bestaat grootendeels uit een reeks van vragen, die den vijanden als zoovele uitdagingen in de ooren moesten klinken. Men leert hier iets verstaan van hetgeen Paulus bedoelt met „roemen in God" (H. 5: 11).

De vragen in vs. 31 en 32 zijn van algemeenen, die in vs> 33—37 van meer bijzonderen aard, terwijl vs. 38 en 39

Sluiten