Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

trekken; men zou een poging kunnen doen om met brutaal geweld den band tusschen Christus en den geloovige te verbreken. De passage herinnert aan Jes. 50 : 7—9.

Vs. 83: «Wie zal beschuldiging inbrongen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardigt."

Het geweten, de wet, Satan (Openb. 12 : 10), onze vijanden kunnen ons aanklagen. Maar God verklaart rechtvaardig

(zje h. 1 4). De juridische beteekenis van het paulinische

„rechtvaardigen" komt hier duidelijk uit. Een aanklacht tegen de geloovigen geeft niets, omdat zij uitverkorenen Gods zijn. Zal God hen eerst aan het oordeel ontrukken en hen dan weder in dat verderf doen terugzinken? Uit Ef. 1:4,5 volgt, dat de hXoyvt vóór het Trpoopi&iv (Rom. 8 : 29) moet gesteld worden. Cremer stelt ix\éys<róxi met Tpoytvcótry.eiv op ééne lijn, met dit verschil, dat het laatste een zelfbepaling van het subject ten opzichte van het object, het eerste een bepaling van het object ten opzichte van het subject aanwijst.

Sedert Augustinus hebben sommigen (laatstelijk nog Olshausen, de Wette, Reuss, Syn. Vert., G. A. Hoog, Theol. Stud. 1899, 391) het laatste deel van het vers als een vraag opgevat. Wie zal beschuldiging inbrengen? God, die rechtvaardigt? Het zou dan een argumentum ad absurdum zijn. Op het eerste gezicht schijnt deze constructie levendiger. Maar God kan toch moeielijk, ook bij wijze van onderstelling, onze aanklager genoemd worden. Bij wien zou Hij ons aanklagen? vraagt Weiss. Het is eenvoudiger, rustiger, krachtiger, de woorden bevestigend op te vatten. Zij staan daar als een rots, waartegen alle beschuldigingen breken moeten.

Maar hoe zal het met de geloovigen in het laatste oordeel gaan? Zie H. 2: 5 , 6, 11. Wij denken vanzelf terug aan H. 5:9, 10.

Vs. 34: „Wie zal het zijn, die veroordeelt? Christus

Sluiten