Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE DEEL.

Het heil in de menschheid of

het probleem van de verwerping dek joden.

H. 9 : 1—11:36.

Het verband tusschen deze drie hoofdstukken en de vorige wordt zeer verschillend opgevat. De Wette beschouwt H. 9 11 als een aanhangsel. Volgens Baur begint hier het voornaamste gedeelte van den brief. Weisse, \ölter houden het voor een stuk van een brief van Paulus aan de Efeziërs. Pierson—Naber (Verisimilia) denken aan een jooilsche bron. Ook Bauer, Steek, Van Manen (bl. 77 v.) ontkennen, dat H. 1—8 en H. 9—11 van ééne hand zijn (vgl. tegen den laatste Van Leeuwen, bl. 98—101). Steinmeyer (der Apostel Paulus und das Judenthum, Berlin 1894, S. 26) en SandayHeadlam meenen, dat Paulus tusschen het dicteeren van eerst- en laatstgenoemde hoofdstukken een tijd heeft laten verloopen.

Het thema van den brief (H. 1: 16, 17) bevatte ook een historisch element: eerst den Jood en ook den Griek. Hoe stonden de Joden, hoe de Grieken tegenover het heil? Waarom hadden de Joden, voor wie de openbaring in Christus toch in de eerste plaats bestemd was, die openbaring het minst gehoorzaamd? Volgt hieruit niet een groot bezwaar tegen de waarheid van het evangelie en de Messiaswaardigheid van Jezus? Een van beide toch: het evangelie

29»

Sluiten