is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geen sprake meer. i) Weizsacker wijst zeer terecht o. a. op H. 9:3, waar Paulus zegt: mijne, en niet: onze broeders; op H. 11:1, waar hij dan toch ook wel van de bekeering zijner lezers had moeten spreken; alsmede op H. 11 : 13.

Paulus wil niet zichzelven en zijn roeping, maar God en Gods werk rechtvaardigen. 2) Daartoe spreekt hij eerst over de absolute vrijheid van God tegenover alle zoogenaamde rechten van den mensch (H. 9: 1—29); daarna over het rechtmatig gebruik, hetwelk God in dit geval van Zijn vrijheid gemaakt heeft (H. 9:30-10:21); eindelijk over de gezegende gevolgen van Israël's verwerping (H. 11). M. a. w. de apostel levert een kostelijk stuk wijsbegeerte van de geschiedenis.

EENENTWINTIGSTE STUK.

H. 9 : 1—29.

De vrijmacht Gods.

De apostel begint met zijn diepe smart uit te spreken over het mysterie van Israël's verwerping (vs. 1—5). Daarna toont hij aan, hoe de vrijmacht Gods tot deze verwerping blijkt zoowel uit de geschiedenis (vs. 6—13) als uit de ondubbelzinnigste verklaringen der Schrift (vs. 14-24). Eindelijk wijst hij op de uitspraken der profeten (vs. 25—29).

Vs. 1—5: De smart van Paulus.

Paulus is diep bedroefd om de verwerping van zijn volk (VS. l_3). Hoe zou het anders kunnen, daar juist aan Israël zulke heerlijke voorrechten geschonken zijn (vs. 4, 5)P

Vs. 1,2: „Ik spreek waarheid in Christus, ik lieg

n Zie Meyer, Weizsacker, Schürer, Harnack, H. Schuit*, Pfleiderer Grau, Weiss, Hofmaan, Th. Scliott, Oltramare, Schlatter e. a.

2) Vandaar ook de titel van Beyschlag's boek: Die paul. Theodicee. Eó IX—XI, 2e Aufl. 1896 en Kühl's studie: Zur paulinischen Theodicee, 1897.