Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

qui). Paulus noemt hen „Israëlieten", een eerenaam (zie Gen. 32: 28), die een geheel anderen klank heeft clan „Joden". ') Let op de voortdurende plechtige herhaling van xxl. Israël is de zoon, de oudste zoon van God (Ex. 4:22; Deut. 14:1; Hos. 11 : 1). Bij 3#* denke men niet aan de heerlijkheid van het voltooide godsrijk (Reuss), maar aan de rnrr fn? (Ex. 24 :16; 40: 34, 35; 1 Kon. 8 : 11; Ez. 1: 28), de Schechina van de rabbijnen. God sloot meermalen een verbond, eerst met de aartsvaders, later met het geheele volk. Ook heeft Hij op plechtige wijze de wet van den Sinaï doen afkondigen (vo,uo6e<rlx, vgl. Ps. 147:20), een eeredienst ingesteld - bestaande uit feesten, offers, heilige samenkomsten enz. —, en beloften gegeven. — Delezingen: „het verbond" en „de belofte" zijn foutieve verbeteringen.

Ys. 5: „van wie de vaderen zjjn, en uit wie de Christus naar het vleesch is, die over alles is,

God geprezen tot in eeuwigheid! Amen."

Nog meer dan op de zooeven genoemde voorrechten kon Israël trotsch zijn op zijne aartsvaders en op zijn grooten Zoon, den Messias. Maar terwijl de eersten — de aartsvaders — als Israël's nationaal eigendom worden voorgesteld (van wi*), is Christus dit in dien zin niet; van Hem zegt Paulus alleen, dat Hij uit hun midden is voortgekomen (uit wie). Volgens Oltramare zou Paulus den term Christus opvatten in abstracten zin met het oog op den Messias, die volgens Goddelijke electie komt, niet met het oog op den Messias, die in Jezus gekomen is, hetgeen wedeilegd wordt door de bijvoeging ro nxrx <rxpxx, welke op een bepaalden persoon wijst. De joodsche afkomst van den Messias wordt, evenals die van de patriarchen, als een historisch feit vermeld. De woorden „naar het vleesch' kunnen worden opgevat als een eenvoudige bepaling of als

1) Schmiedel herinnert aan hot gebruik van ,,Quirites" naaat dat van „Eomaui".

Sluiten