Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wordt hier „God" genoemd, hetgeen Paulus nooit doet. 3. Een doxologie van den Messias is in het verband misplaatst: er is sprake van de weldaden Gods. 4. Zulk een doxologie van Christus, en niet van God, wordt in de geschriften van Paulus nergens aangetroffen. Het eerste bezwaar hebben wij reeds beantwoord. Tegenover Jezus' menschelijke afkomst staat niet zijn geestelijke maar zijn Goddelijke afkomst. Was het niet het grootste voorrecht van Israël, en als zoodanig de kroon van al zijne voorrechten, dat zulk een uit zijn midden was voortgekomen? Christus wordt hier niet gedankt maar aangebeden. Waarom zou dat niet passen in het verband? En wanneer Paulus uergens elders Jezus „God" noemde, hetgeen met het oog op Tit. 2: 13 nog bewezen moet worden, waarom zou hij het dan hier niet kunnen doen? Niemand betwist Johannes het recht, in zijn proloog den Logos „God" te noemen, ook al komt deze benaming in zijn "evangelie alleen voor in een uitroep van Thomas. Dan zou men ook voor Xurpov mn iroxxüv in Matth. 20: 28 een andere beteekenis moeten zoeken, omdat de Heer nergens zóó duidelijk van zijn dood als een losprijs spreekt (zie Roozemeijer, Theol Stud. IV, bl. 90). Deze belijdenis behoeft met het oog op plaatsen als Fil. 2: 6 en Kol. 2: 9 niet aan Paulus te worden ontzegd. Ten aanzien van een doxologie van Christus vergelijke men Rom. 1(3: 27 en 2 Tim. 4 : 18.

Neemt men de laatste woorden van vs. 5 l) op zichzelf, dan stuit men op het bezwaar, dat er een antithese van to kxtx trxpkx verwacht wordt. Ook een doxologie van God is hier vreemd. Zij past niet bij het voorgaande, waar geen sprake was van rangordening, zoodat het vers kon sluiten met: Hij, die boven allen is, God enz. Brengt men ze in verband met het volgende, dan zou men eerder een verheffing van Gods wijsheid dan van Gods almacht verwachten (zie Baljon). Bovendien begint de N. T.ische doxologie altijd

1) Mea kan ook vergelijken de stukken van Owight en Abbot in: Jouraal of the societj for biblical literature, Middletown, 1882, en de verdere literatuur, door Sanday—Headlam genoemd (p. 233).

Sluiten