Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geroepen te worden; toen bestond hij reeds. Beter is dan nog de paraphrase van Weiss: In den persoon van Izaak zult gij een zoon hebben, die inderdaad uw zaad zijn zal. Maar uit vs. 8 blijkt, dat Paulus veeleer aan de nakomelingen van Izaak denkt: In en door Izaak zal u het geslacht geboren worden, dat uw zaad zal mogen heeten (zie Dalmer).

Wat volgt hieruit? Waarom was Ismaël niet en Izaak wèl zaad en zoon van Abraham? Omdat de eerste een zoon was naar het vleesch, en de laatste een zoon naar de belofte. En wat van de stamvaders gold, gold ook van de nakomelingen. Alleen de kinderen der belofte worden voor het ware zaad van Abraham gerekend. Wilde dit zeggen, dat alle afstammelingen van Izaak ook kinderen der belofte waren? In geenen deele. Bij een ieder hunner was een Goddelijke tusschenkomst noodzakelijk. Niemand zou tot het uitverkoren volk behooreu of hij moest persoonlijk kind der belofte zijn. Ys. 9 verduidelijkt die uitdrukking „kind der belofte".

Ys. 9: „Want een woord der belofte is het: Omtrent

dezen" tijd zal Ik komen, en Sara zal een zoon

hebben."

Het bedoelde woord is ontleend aan Gen. 18:10, 14. Het volgende jaar, omstreeks denzelfden tijd als waarin God nu spreekt.

Dat niet elke nakomeling van Izaak tot het uitverkoren volk behoort, kunnen wij reeds uit de geschiedenis van Izaak's eigen kinderen leeren.

ys> 10—13. Ezau en Jakob.

ys 10—13: „En dit niet alleen, maar ook met Rebekka ging het zoo, toen zij zwanger was uit één, uit Izaak, onzen vader. 11 Want toen de kinderen nog niet geboren waren en nog geen

Sluiten