is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In antwoord hierop bewijst de apostel uit de Schrift vooreerst, dat God het recht heeft, te begenadigen en te verharden (vs_ 14—18); en ten andere, op grond van den oneindigen afstand tusschen den Schepper en den mensch, dat het absurd en godslasterlijk is, wanneer de mensch den Schepper van onrechtvaardigheid beschuldigt.

V8. 14—24. God is vrij om te begenadigen en om te verharden.

yg> 14—18. Bewijs uit de Schrift.

Vs. 14—16: „Wat zullen wij dan zeggen? Is er onrechtvaardigheid bij God? Dat zij verre! 15 Want Hij zegt tot Mozes: Ik zal Mij ontfermen over wien Ik Mij ontferm, en barmhartig zijn wien Ik barmhartig ben. 16 Zoo staat het dan niet aan hem, die wil, noch aan hem, die loopt, maar aan den ontfermenden God1)."

Onderscheidene uitleggers, laatstelijk Mangold, houden

vs 15 18 niet voor het antwoord op de tegenwerping van

vs. 14, maar voor de voortzetting en rechtvaardiging er van. Intusschen kan yb y^ono niet als parenthese opgevat worden. De vraag met m doet bovendien een ontkennend antwoord verwachten, hetwelk wij in het volgende vinden. - De Schrift is' het einde van alle tegenspraak. De mensch en vooral de wettische Jood stelde zich gaarne voor, dat bod in Zijn verhouding tot den mensch door diens verdienste ot

schuld bepaald wordt. ^ ,

Vs 15. Nu leert de Schrift de vrijmacht Gods. De mensch

heeft volstrekt geen recht op de genade van God. Zie Ex.

33:19. Mozes, met nadruk voorop. Zelfs voor een Mozes )

1) Text. ree. leest met K: in plaats Tan ttemros

2) Volgens Dalmer wordt Mozes hier genoemd, omdat de Joden van meening waren, dat God door de wet van Mozes verplichtingen tegenover hen op Zich genomen had.