Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gods (Origenes, Grotius) of aan een harde behandeling (Carpzovius, Semler); het wil veeleer zeggen, dat Farao onvatbaar gemaakt was voor betere indrukken. God maakt Zich den goddeloozen Farao tot een werktuig. Deze wil niet actief tot Gods verheerlijking medewerken, welnu dan zal hij het passief moeten doen. De Joden hadden er niets op tegen, dat de Heer Zich op deze wijze bediende van den koning van Egypte of van de Heidenen in het algemeen, maar waarom waren zij dan uitgesloten en mocht Hij het dan ook niet doen met hen?

Vs. 19 24. De afstand tusschen het schepsel en den

Schepper.

Wanneer God het recht had iemand te verharden, had Hij toch niet het recht te toornen op hem, dien Hij verhard had! De apostel beantwoordt deze bedenking met de vergelijking van den pottenbakker (vs. 19—21). In vs. 22 24 volgt dan de toepassing.

Vs. 19—21: „Gij zult dan tot mij zeggen: Wat verwijt Hij dan *) nog? Want1) wie wederstaat Zijnen wil? 20 Wel zeker 3), maar wie zijt gij, o mensch, dat gij het woord tegen God opneemt ? Zal het maaksel tot zijn maker zeggen: Waarom hebt gy mij zoo gemaakt ? 21 Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem, om uit denzelfden klomp het eene vat tot eer, het andere tot oneer te maken?"

Paulus leidt uit het vorige een nieuwe tegenwerping af (dan). Nog, d. i. na Zelf verhard te hebben. Het tweede eb

1) BDEFG lezen ovv tusschen ti en sr<; nAKLP laten het weg.

2) Text. ree. en eenige min. laten yap weg.

3) Text. ree. KLPSyr. lezen nevouvye vóór, S AE ua « «v3pu-re. DFOlt. laten het weg.

Sluiten