Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vs. 25—29. Dat God zou doen, gelijk Hij doet, is door de profeten voorzegd.

De profeten spraken over de roeping der Heidenen (vs. 25, 26) en de verwerping der Joden (vs. 27—29).

Ys. 25, 26: „gelijk Hij ook in Hosea zegt: Ik zal het volk, dat het Mijne niet was, Mijn volk, en die Mijne geliefde niet was, Mijne geliefde noemen; 26 en het zal geschieden, dat in de plaats, waar tot hen ') gezegd was: Gij zijt Mijn volk niet, zij daar zonen van den levenden God zullen genoemd worden."

„Gelijk ook" ziet natuurlijk op de laatste woorden van vs. 24: „maar ook uit de Heidenen". Wel spreekt Hos. 2 : 22; 1:10 van het rijk der tien stammen, maar Paulus past deze woorden op de Heidenen toe. 2) In plaats van ipü is gekomen Kxtieu, zeker met het oog op èxxhe<xev van vs. 24. Opzettelijk worden de twee deelen van den zin omgekeerd, zoodat het „Lo-Ammi" als het meest karakteristieke voorop komt.

Het tweede citaat volgt onmiddellijk op het eerste, zoodat xat geen verbindingspartikel is, maar bij het tweede citaat behoort. „In de plaats waar" kan op Samaria slaan of op het land der ballingschap. In het laatste geval wordt nog duidelijker, dat de apostel deze belofte op de Heidenen toepast, die zich toch met de ballingen vermengd hadden.

Ys. 27 — 29: „Maar Jesaja roept uit over Israël: Al ware het getal der kinderen Israëls als het zand der zee, (alleen) het overblijfsel3) zal gered wor-

1) B F G laten xvtoii; weg.

2) Volgens Zahn (Einl. II, 6) denkt ook Paulus san de begenadiging van Israël.

3) AB hebben vroMt^n* in plaats van xarateiiiixsc.

Sluiten