Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ding), niet yvütrif. De Joden missen het rechte inzicht in de beteekenis en in de bedoelingen van de instellingen der wet.

Vs. 3: „Want de gerechtigheid Gods niet kennende en hunne eigene ') zoekende op te richten, hebben zij zich aan de gerechtigheid Gods niet onderworpen."

Hierin bestaat het onverstand van Israël. Israël begreep niet, dat de gerechtigheid van God kwam, ofschoon de oprechte poging om de wet te volbrengen de onmacht van den mensch moest openbaren (vgl. H. 7), terwijl ook de Schriften van een andere gerechtigheid getuigden (Gen. 15 : 5; Jes. 50:8; Hab. 2:4). Echter hadden de Joden zich voor de hoogste openbaring onvatbaar gemaakt door een verkeerd gebruik van de voorafgaande openbaringen. Men behoeft ayvooüvTs; niet door „miskennende" te vertalen, mits men niet vergeet, dat het „niet-kennen" schuld veronderstelt. Uit de tegenstelling „de gerechtigheid Gods" en „de eigen gerechtigheid" blijkt duidelijk de beteekenis van de eerste uitdrukking. Tweemalen wordt in dit vers „de gerechtigheid Gods'' genoemd; de eerste maal abstract (als begrip), de tweede maal concreet (in Christus). De eigengerechtige tracht een monument voor zichzelven op te richten en wil zich daarom niet onderwerpen aan de gerechtigheid Gods in Christus. Het ongeloof komt voort uit ongehoorzaamheid:

vgl. H. 1:5; 6 : 17.

Israël moest dit onverstand duur boeten.

Ys. 4: „Want het einde der wet is Christus, tot gerechtigheid voor een ieder, die gelooft.

De woorden „het einde der wet staan met nadruk voorop. De komst van den Messias moest een einle maken aan de

1) Teit. ree. nFGKL Syr. hebben Sikxio«-uvt»v 11a iiictv.

Sluiten