Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den invloed van de Sept. Wanneer wij bet weglaten, moeten wij ons iït)txi07v\iyv denken als object van 3 Tra/t^ac, of 'o iroiwx; absoluut nemen in den zin van „die handelt" (vgl. H. 4:4; Luk. 12:47). Aan het einde leze men liever xvriji dan tvjTolq. Ten aanzien van de bezwaren van Van Manen (bl. 84) zie men Van Leeuwen (bl. 106, 107). De bedoelde aanhaling vinden wij Lev. 18:5. Voor het volk, dat in het gebod Gods het leven had moeten vinden, was die wet nuda lex (Calvijn), enkel wet, geworden, een middel tot eigen gerechtigheid. Welnu, als het op het „doen" aankwam, mocht hieraan ook niets ontbreken; dan was alle genade uitgesloten, anders zou het werk geen werk en de genade geen genade meer zijn (H. 11 : 6).

Vs. 6, 7: „Maar de gerechtigheid uit het geloof spreekt aldus: Zeg niet in uw hart: Wie zal ten hemel opklimmen? — dat is Christus van boven afbrengen; — 7 of wie zal in den afgrond nederdalen? — dat is Christus uit de dooden opbrengen."

Paulus geeft hier geen eigenlijk gezegde verklaring van het aangehaalde woord (Augustinus, Olshausen, Meyer, Reuss e. a.), hetgeen men niet kan aannemen zonder tevens toe te stemmen, dat hij aan den tekst geweld heeft aangedaan. Hij zal wel geweten hebben, dat Deut. 30:11—14') over de wet en niet over het evangelie handelt. Daarom behoeft men nog niet te zeggen, dat hij hier uitdrukkingen van Deut. geheel vrij, in een geheel andere beteekenis dan in het oorspronkelijke, bezigt: zie b.v. Bengel (suavissima parodia), Tholuck (een diepzinnige parodie), Philippi (een heilig en liefelijk spelen van den Geest Gods in het woord des Heeren), Rückert, Hofmann, Weiss, Oltramare e. a. Liever erkenne men met Calvijn, Lange, Hodge, dat de hier uit-

1) Steek deukt aan 4 Ezra 4: 8 (zie Van Leeuwen bl. 107).

Sluiten